Surah 67: Al-Mulk — الملك
تَبَٰرَكَ ٱلَّذِى بِيَدِهِ ٱلْمُلْكُ وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍۢ قَدِيرٌ
Gezegend is Degene in Wiens Hand de heerschappij is. En Hij is Almachtig over alle zaken.
ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلْمَوْتَ وَٱلْحَيَوٰةَ لِيَبْلُوَكُمْ أَيُّكُمْ أَحْسَنُ عَمَلًۭا ۚ وَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْغَفُورُ
Degenen Die de dood en het leven heeft geschapen om jullie te beproeven, (en te tonen) wie van jullie de beste daden verricht. En Hij is de Almachtige, de Vergevensgezinde.
ٱلَّذِى خَلَقَ سَبْعَ سَمَٰوَٰتٍۢ طِبَاقًۭا ۖ مَّا تَرَىٰ فِى خَلْقِ ٱلرَّحْمَٰنِ مِن تَفَٰوُتٍۢ ۖ فَٱرْجِعِ ٱلْبَصَرَ هَلْ تَرَىٰ مِن فُطُورٍۢ
Degene Die de hemel in lagen heeft geschapen. Jij ziet in de schepping van de Erbarmer geen onevenwichtigheid. Kijk dan nog een keer, zie jij een afwijking?
ثُمَّ ٱرْجِعِ ٱلْبَصَرَ كَرَّتَيْنِ يَنقَلِبْ إِلَيْكَ ٱلْبَصَرُ خَاسِئًۭا وَهُوَ حَسِيرٌۭ
Kijk dan nog eens twee maal, jij zult jouw ogen nederig neerslaan, terwijl zij vermoeid zijn.
وَلَقَدْ زَيَّنَّا ٱلسَّمَآءَ ٱلدُّنْيَا بِمَصَٰبِيحَ وَجَعَلْنَٰهَا رُجُومًۭا لِّلشَّيَٰطِينِ ۖ وَأَعْتَدْنَا لَهُمْ عَذَابَ ٱلسَّعِيرِ
En voorzeker, Wij hebben de nabije hemel met lampen (sterren) gesierd en Wij maakten die om er de Satans mee te stenigen. En Wij hebben voor hen de bestraffing van Sa'îr (de Hel) bereid.
وَلِلَّذِينَ كَفَرُوا۟ بِرَبِّهِمْ عَذَابُ جَهَنَّمَ ۖ وَبِئْسَ ٱلْمَصِيرُ
En voor degenen die niet in hun Heer geloven, is er de bestraffing van de Hel. En dat is de slechtste plaats van bestemming!
إِذَآ أُلْقُوا۟ فِيهَا سَمِعُوا۟ لَهَا شَهِيقًۭا وَهِىَ تَفُورُ
En wanneer zij daarin geworpen worden, dan horen zij een afschrikwekkend gebrul ervan, terwijl zij (de Hel) raast.
تَكَادُ تَمَيَّزُ مِنَ ٱلْغَيْظِ ۖ كُلَّمَآ أُلْقِىَ فِيهَا فَوْجٌۭ سَأَلَهُمْ خَزَنَتُهَآ أَلَمْ يَأْتِكُمْ نَذِيرٌۭ
Haast barst zij van woede. Telkens wanneer een groep erin wordt geworpen, vragen de wakers ervan hen: "Is er geen waarschuwer tot jullie gekomen?"
قَالُوا۟ بَلَىٰ قَدْ جَآءَنَا نَذِيرٌۭ فَكَذَّبْنَا وَقُلْنَا مَا نَزَّلَ ٱللَّهُ مِن شَىْءٍ إِنْ أَنتُمْ إِلَّا فِى ضَلَٰلٍۢ كَبِيرٍۢ
Zij zeggen: "Welzeker, er is waarlijk een waarschuwer tot ons gekomen, maar toen loochenden wij. En wij zeiden: "Allah heeft niets neergezonden, jullie verkeren slechts in grote dwaling."
وَقَالُوا۟ لَوْ كُنَّا نَسْمَعُ أَوْ نَعْقِلُ مَا كُنَّا فِىٓ أَصْحَٰبِ ٱلسَّعِيرِ
Zij zeiden: "Als wij (het) konden horen of begrijpen, dan zouden wij niet tot de bewoners van Sa'îr (de Hel) behoren!"
فَٱعْتَرَفُوا۟ بِذَنۢبِهِمْ فَسُحْقًۭا لِّأَصْحَٰبِ ٱلسَّعِيرِ
Zij bekennen dan hun zonden. Daarom, ten onder gaan de bewoners van Sa'îr (de Hel)!
إِنَّ ٱلَّذِينَ يَخْشَوْنَ رَبَّهُم بِٱلْغَيْبِ لَهُم مَّغْفِرَةٌۭ وَأَجْرٌۭ كَبِيرٌۭ
Voorwaar, voor degenen die hun Heer in het verborgene vrezen, voor hen is er vergeving en een grote beloning.
وَأَسِرُّوا۟ قَوْلَكُمْ أَوِ ٱجْهَرُوا۟ بِهِۦٓ ۖ إِنَّهُۥ عَلِيمٌۢ بِذَاتِ ٱلصُّدُورِ
En houdt jullie woorden geheim of maakt ze openbaar: voorwaar, Hij is Alwetend over wat er in de harten is.
أَلَا يَعْلَمُ مَنْ خَلَقَ وَهُوَ ٱللَّطِيفُ ٱلْخَبِيرُ
Zou Hij die schiep geen kennis hebben (over het geschapene)? Hij is de Zachtmoedige, de Alwetende.
هُوَ ٱلَّذِى جَعَلَ لَكُمُ ٱلْأَرْضَ ذَلُولًۭا فَٱمْشُوا۟ فِى مَنَاكِبِهَا وَكُلُوا۟ مِن رِّزْقِهِۦ ۖ وَإِلَيْهِ ٱلنُّشُورُ
Hij is Degene Die de aarde voor jullie begaanbaar heeft gemaakt. Wandelt dan over haar zijden en eet van Zijn voorzieningen. En tot Hem is de opwekking.
ءَأَمِنتُم مَّن فِى ٱلسَّمَآءِ أَن يَخْسِفَ بِكُمُ ٱلْأَرْضَ فَإِذَا هِىَ تَمُورُ
Voelen jullie je er veilig voor dat Hij Die in de hemel is, jullie niet zal doen wegzinken in de aarde? Zij begint al te schudden!
أَمْ أَمِنتُم مَّن فِى ٱلسَّمَآءِ أَن يُرْسِلَ عَلَيْكُمْ حَاصِبًۭا ۖ فَسَتَعْلَمُونَ كَيْفَ نَذِيرِ
Of voelen jullie je er veilig voor dat Hij Die in de hemel is, niet een vulkanische regen over jullie zal zenden? Jullie zullen dan weten hoe (terecht) Mijn waarschuwing was.
وَلَقَدْ كَذَّبَ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ فَكَيْفَ كَانَ نَكِيرِ
En voorzeker, degenen die er vóór hen (de Boodschappers) waren loochenden, en hoe (verschrikkelijk) was toen Mijn verafschuwing.
أَوَلَمْ يَرَوْا۟ إِلَى ٱلطَّيْرِ فَوْقَهُمْ صَٰٓفَّٰتٍۢ وَيَقْبِضْنَ ۚ مَا يُمْسِكُهُنَّ إِلَّا ٱلرَّحْمَٰنُ ۚ إِنَّهُۥ بِكُلِّ شَىْءٍۭ بَصِيرٌ
En kijken jullie niet naar de vogels boven jullie, hoe zij hun vleugels uitslaan en weer ineenvouwen? Er is niemand die ze tegenhoudt dan de Erbarmer. Voorwaar, Hij is Alziende over alle zaken.
أَمَّنْ هَٰذَا ٱلَّذِى هُوَ جُندٌۭ لَّكُمْ يَنصُرُكُم مِّن دُونِ ٱلرَّحْمَٰنِ ۚ إِنِ ٱلْكَٰفِرُونَ إِلَّا فِى غُرُورٍ
Of wie is het die voor jullie als een leger is en die jullie helpt naast de Erbarmer? De ongelovigen verkeren slechts in dwaling,
أَمَّنْ هَٰذَا ٱلَّذِى يَرْزُقُكُمْ إِنْ أَمْسَكَ رِزْقَهُۥ ۚ بَل لَّجُّوا۟ فِى عُتُوٍّۢ وَنُفُورٍ
Of wie is het die jullie voorziet als Hij Zijn voorzieningen tegenhoudt? Nee, zij volharden in hoogmoed en afschuw.
أَفَمَن يَمْشِى مُكِبًّا عَلَىٰ وَجْهِهِۦٓ أَهْدَىٰٓ أَمَّن يَمْشِى سَوِيًّا عَلَىٰ صِرَٰطٍۢ مُّسْتَقِيمٍۢ
Is hij dan, die voortkruipt met zijn gezicht over de grond, beter geleid dan hij die rechtop op het rechte Pad loopt?
قُلْ هُوَ ٱلَّذِىٓ أَنشَأَكُمْ وَجَعَلَ لَكُمُ ٱلسَّمْعَ وَٱلْأَبْصَٰرَ وَٱلْأَفْـِٔدَةَ ۖ قَلِيلًۭا مَّا تَشْكُرُونَ
Zeg: "Hij is Degene Die jullie heeft doen ontstaan en voor jullie het gehoor, het gezichtsvermogen en de harten heeft gemaakt. Weinig is de dankbaarheid die jullie tonen."
قُلْ هُوَ ٱلَّذِى ذَرَأَكُمْ فِى ٱلْأَرْضِ وَإِلَيْهِ تُحْشَرُونَ
Zeg: "Hij is Degene Die jullie op de aarde vermenigvuldigd heeft en tot Hem zullen jullie verzameld worden."
وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا ٱلْوَعْدُ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ
En zij zeggen: "Wanneer zal deze aanzegging plaatsvinden, als jullie waarachtigen zijn?"
قُلْ إِنَّمَا ٱلْعِلْمُ عِندَ ٱللَّهِ وَإِنَّمَآ أَنَا۠ نَذِيرٌۭ مُّبِينٌۭ
Zeg: "De kennis daarover is slechts bij Allah en ik ben slechts een duidelijke waarschuwer."
فَلَمَّا رَأَوْهُ زُلْفَةًۭ سِيٓـَٔتْ وُجُوهُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ وَقِيلَ هَٰذَا ٱلَّذِى كُنتُم بِهِۦ تَدَّعُونَ
Wanneer zij dan (de bestraffing) van dichtbij zien, worden de gezichten van degenen die niet geloven bedroefd, en er zal worden gezegd: "Dit is waar jullie om plachten te vragen."
قُلْ أَرَءَيْتُمْ إِنْ أَهْلَكَنِىَ ٱللَّهُ وَمَن مَّعِىَ أَوْ رَحِمَنَا فَمَن يُجِيرُ ٱلْكَٰفِرِينَ مِنْ عَذَابٍ أَلِيمٍۢ
Zeg: "Wat dachten jullie, als Allah mij en wie met mij zijn vernietigt of als Hij ons begenadigt, wie beschermt dan de ongelovigen tegen een pijnlijke bestraffing?"
قُلْ هُوَ ٱلرَّحْمَٰنُ ءَامَنَّا بِهِۦ وَعَلَيْهِ تَوَكَّلْنَا ۖ فَسَتَعْلَمُونَ مَنْ هُوَ فِى ضَلَٰلٍۢ مُّبِينٍۢ
Zeg: "Hij is de Erbarmer, Wij geloven in Hem en wij vertrouwen op Hem." Jullie zullen weten wie in duidelijke dwaling verkeert."
قُلْ أَرَءَيْتُمْ إِنْ أَصْبَحَ مَآؤُكُمْ غَوْرًۭا فَمَن يَأْتِيكُم بِمَآءٍۢ مَّعِينٍۭ
Zeg: "Wat dachten jullie, als jullie water plotseling in de aarde verdwijnt, wie zal jullie dan stromend water brengen?"
Surah 68: Al-Qalam — القلم
نٓ ۚ وَٱلْقَلَمِ وَمَا يَسْطُرُونَ
Nôen. Bij de pen en wat zij schrijven.
مَآ أَنتَ بِنِعْمَةِ رَبِّكَ بِمَجْنُونٍۢ
Jij bent dankzij de gunst van jouw Heer geen bezetene.
وَإِنَّ لَكَ لَأَجْرًا غَيْرَ مَمْنُونٍۢ
En voorwaar, voor jou is er zeker een beloning zonder onderbreking.
وَإِنَّكَ لَعَلَىٰ خُلُقٍ عَظِيمٍۢ
En voorwaar, jij beschikt over een hoogstaand karakter.
فَسَتُبْصِرُ وَيُبْصِرُونَ
Jullie zullen zien en zij zullen zien.
بِأَييِّكُمُ ٱلْمَفْتُونُ
Wie van jullie de (met bezetenheid) beproefde is.
إِنَّ رَبَّكَ هُوَ أَعْلَمُ بِمَن ضَلَّ عَن سَبِيلِهِۦ وَهُوَ أَعْلَمُ بِٱلْمُهْتَدِينَ
Voorwaar, jouw Heer weet het beste wie van Zijn Weg is afgedwaald en Hij kent het beste de rechtgeleiden.
فَلَا تُطِعِ ٱلْمُكَذِّبِينَ
Gehoorzaam daarom de loochenaars niet.
وَدُّوا۟ لَوْ تُدْهِنُ فَيُدْهِنُونَ
Zij wensen dat jij toegeeflijk zal worden, dan zullen zij (ook) toegeeflijk worden.
وَلَا تُطِعْ كُلَّ حَلَّافٍۢ مَّهِينٍ
En gehoorzaam geen enkele verachtelijke edenzweerder.
هَمَّازٍۢ مَّشَّآءٍۭ بِنَمِيمٍۢ
Een lasteraar die rondloopt met roddelpraat.
مَّنَّاعٍۢ لِّلْخَيْرِ مُعْتَدٍ أَثِيمٍ
Een tegenhouder van het goede, buitensporig, zondig.
عُتُلٍّۭ بَعْدَ ذَٰلِكَ زَنِيمٍ
Die daarnaast ook nog een bruut is, en bastaard.
أَن كَانَ ذَا مَالٍۢ وَبَنِينَ
(Hij is ongelovig) omdat hij een bezitter van rijkdom en zonen is.
إِذَا تُتْلَىٰ عَلَيْهِ ءَايَٰتُنَا قَالَ أَسَٰطِيرُ ٱلْأَوَّلِينَ
Wanneer Onze Verzen aan hem voorgedragen worden, dan zegt hij: "Fabels van de vroegeren."
سَنَسِمُهُۥ عَلَى ٱلْخُرْطُومِ
Wij zullen hem brandmerken op zijn snuit.
إِنَّا بَلَوْنَٰهُمْ كَمَا بَلَوْنَآ أَصْحَٰبَ ٱلْجَنَّةِ إِذْ أَقْسَمُوا۟ لَيَصْرِمُنَّهَا مُصْبِحِينَ
Wij hebben hen beproefd zoals Wij de bezitters van de tuin hebben beproefd, toen zij zwoeren in de morgen van haar (vruchten) te zullen plukken.
وَلَا يَسْتَثْنُونَ
Maar zij maakten geen voorbehoud.
فَطَافَ عَلَيْهَا طَآئِفٌۭ مِّن رَّبِّكَ وَهُمْ نَآئِمُونَ
Toen ging er een bezoeking (storm) van jouw Heer in haar rond, terwijl zij sliepen.
فَأَصْبَحَتْ كَٱلصَّرِيمِ
Zij werd als een verschroeid stoppelveld.
فَتَنَادَوْا۟ مُصْبِحِينَ
Toen riepen zij tot elkaar in de ochtend.
أَنِ ٱغْدُوا۟ عَلَىٰ حَرْثِكُمْ إِن كُنتُمْ صَٰرِمِينَ
"Gaat deze ochtend naar jullie akkers, als jullie van plan zijn om te oogsten."
فَٱنطَلَقُوا۟ وَهُمْ يَتَخَٰفَتُونَ
Zo vertrokken zij, terwijl zij naar elkaar fluisterden.
أَن لَّا يَدْخُلَنَّهَا ٱلْيَوْمَ عَلَيْكُم مِّسْكِينٌۭ
(Zij zeiden:) "Laat er deze dag geen enkele arme bij jullie binnengaan."
وَغَدَوْا۟ عَلَىٰ حَرْدٍۢ قَٰدِرِينَ
En zij vertrokken die ochtend, vastbesloten om (de armen) te weren.
فَلَمَّا رَأَوْهَا قَالُوٓا۟ إِنَّا لَضَآلُّونَ
Maar toen zij haar (de tuin) zagen, zeiden zij: "Voorwaar, wij zijn zeker dwalenden.
بَلْ نَحْنُ مَحْرُومُونَ
Wij zijn zelfs beroofd."
قَالَ أَوْسَطُهُمْ أَلَمْ أَقُل لَّكُمْ لَوْلَا تُسَبِّحُونَ
De meest wijze onder hen zei: "Heb ik jullie niet gezegd dat jullie de Glorie (van Allah) hadden moeten prijzen!"
قَالُوا۟ سُبْحَٰنَ رَبِّنَآ إِنَّا كُنَّا ظَٰلِمِينَ
Zij zeiden: "Heilig is onze Heer: voorwaar, wij waren onrechtvaardig."
فَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍۢ يَتَلَٰوَمُونَ
Toen keerde de ene groep zich tegen de andere, elkaar verwijten makend.
قَالُوا۟ يَٰوَيْلَنَآ إِنَّا كُنَّا طَٰغِينَ
Zij zeiden: "Wee ons! Voorwaar, wij waren buitensporig.
عَسَىٰ رَبُّنَآ أَن يُبْدِلَنَا خَيْرًۭا مِّنْهَآ إِنَّآ إِلَىٰ رَبِّنَا رَٰغِبُونَ
Hopelijk zal onze Heer ons een betere (tuin) in de plaats van deze geven: voorwaar, wij hopen vurig (op vergeving) van onze Heer."
كَذَٰلِكَ ٱلْعَذَابُ ۖ وَلَعَذَابُ ٱلْءَاخِرَةِ أَكْبَرُ ۚ لَوْ كَانُوا۟ يَعْلَمُونَ
Zo was de bestraffing. En de bestraffing in het Hiernamaals is zeker groter, als zij het zouden weten!
إِنَّ لِلْمُتَّقِينَ عِندَ رَبِّهِمْ جَنَّٰتِ ٱلنَّعِيمِ
Voorwaar, voor de Moettaqôen zijn er bij hun Heer Tuinen van gelukzaligheid (het Paradijs).
أَفَنَجْعَلُ ٱلْمُسْلِمِينَ كَٱلْمُجْرِمِينَ
Zullen Wij hen die zich aan Allah hebben overgegeven net zo behandelen als de misdadigers?
مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ
Wat is er met jullie? Hoe oordelen jullie?
أَمْ لَكُمْ كِتَٰبٌۭ فِيهِ تَدْرُسُونَ
Of hebben jullie een Schrift waar jullie in kunnen studeren?
إِنَّ لَكُمْ فِيهِ لَمَا تَخَيَّرُونَ
Waar waarlijk voor jullie in is wat jullie kiezen?
أَمْ لَكُمْ أَيْمَٰنٌ عَلَيْنَا بَٰلِغَةٌ إِلَىٰ يَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ ۙ إِنَّ لَكُمْ لَمَا تَحْكُمُونَ
Of hebben jullie een verdrag met Ons dat tot aan de Dag der Opstanding geldt, dat er waarlijk voor jullie is wat jullie oordelen?
سَلْهُمْ أَيُّهُم بِذَٰلِكَ زَعِيمٌ
Vraag hun wie van hen daarvoor verantwoordelijk is.
أَمْ لَهُمْ شُرَكَآءُ فَلْيَأْتُوا۟ بِشُرَكَآئِهِمْ إِن كَانُوا۟ صَٰدِقِينَ
Of beschikken zij over deelgenoten? Laat zij dan komen met kun deelgenoten, als zij waarachtig zijn.
يَوْمَ يُكْشَفُ عَن سَاقٍۢ وَيُدْعَوْنَ إِلَى ٱلسُّجُودِ فَلَا يَسْتَطِيعُونَ
(Gedenkt) de Dag waarop de onderbenen ontbloot zullen worden en zij opgeroepen worden om neer te knielen, terwijl zij daartoe niet in staat zijn.
خَٰشِعَةً أَبْصَٰرُهُمْ تَرْهَقُهُمْ ذِلَّةٌۭ ۖ وَقَدْ كَانُوا۟ يُدْعَوْنَ إِلَى ٱلسُّجُودِ وَهُمْ سَٰلِمُونَ
Hun ogen zullen angstig teneergeslagen zijn, vernedering zal hen bedekken. En waarlijk, zij werden opgeroepen om zich neer te knielen, terwijl zij (nog) gezond waren.
فَذَرْنِى وَمَن يُكَذِّبُ بِهَٰذَا ٱلْحَدِيثِ ۖ سَنَسْتَدْرِجُهُم مِّنْ حَيْثُ لَا يَعْلَمُونَ
Laat daarom degene die deze Boodschap loochent aan Mij over. Wij zullen hen langzaam maar zeker vernietigen, op een manier dat zij het niet merken.
وَأُمْلِى لَهُمْ ۚ إِنَّ كَيْدِى مَتِينٌ
En ik zal kun uitstel geven. Voorwaar, Mijn plan is sterk.
أَمْ تَسْـَٔلُهُمْ أَجْرًۭا فَهُم مِّن مَّغْرَمٍۢ مُّثْقَلُونَ
Of vraag jij van hen een beloning, zodat zij met een schuld worden belast?
أَمْ عِندَهُمُ ٱلْغَيْبُ فَهُمْ يَكْتُبُونَ
Of is bij hen (kennis) van het onwaarneembare, zodat zij het kunnen opschrijven?
فَٱصْبِرْ لِحُكْمِ رَبِّكَ وَلَا تَكُن كَصَاحِبِ ٱلْحُوتِ إِذْ نَادَىٰ وَهُوَ مَكْظُومٌۭ
Wees daarom geduldig tot het Oordeel van jouw Heer komt, en wees niet als de Profeet Yôenoes, toen hij (tot Allah) riep terwijl hij verbolgen was.
لَّوْلَآ أَن تَدَٰرَكَهُۥ نِعْمَةٌۭ مِّن رَّبِّهِۦ لَنُبِذَ بِٱلْعَرَآءِ وَهُوَ مَذْمُومٌۭ
Als hem van zijn Heer geen genade bereikt had, dan was hij zeker op een kwade plaats neer gesmeten, met verwijten beladen.
فَٱجْتَبَٰهُ رَبُّهُۥ فَجَعَلَهُۥ مِنَ ٱلصَّٰلِحِينَ
Daarna verkoos zijn Heer hem en maakte Hij hem tot één van de rechtschapenen.
وَإِن يَكَادُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لَيُزْلِقُونَكَ بِأَبْصَٰرِهِمْ لَمَّا سَمِعُوا۟ ٱلذِّكْرَ وَيَقُولُونَ إِنَّهُۥ لَمَجْنُونٌۭ
En bijna zouden degenen die niet geloven jou omwerpen met hun blikken, wanneer zij de Vermaning horen. En zij zeggen: "Voorwaar, hij is zeker bezeten."
وَمَا هُوَ إِلَّا ذِكْرٌۭ لِّلْعَٰلَمِينَ
Terwijl hij (de Koran) niets anders is dan een Vermaning voor de werelden.
Surah 69: Al-Haqqah — الحاقة
ٱلْحَآقَّةُ
De verwezenlijking (de Dag der Opstanding).
مَا ٱلْحَآقَّةُ
Wat is de verwezenlijking?
وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا ٱلْحَآقَّةُ
En wat doet jou weten wat de verwezenlijking is?
كَذَّبَتْ ثَمُودُ وَعَادٌۢ بِٱلْقَارِعَةِ
De Tsamôed en de 'Âd loochenden de ramp (de Dag der Opstanding).
فَأَمَّا ثَمُودُ فَأُهْلِكُوا۟ بِٱلطَّاغِيَةِ
Wat de Tsmôed betreft: zij werden vernietigd door een geweldige kracht.
وَأَمَّا عَادٌۭ فَأُهْلِكُوا۟ بِرِيحٍۢ صَرْصَرٍ عَاتِيَةٍۢ
En wat betreft de 'Âd: zij werden vernietigd door een razende, beukende wind.
سَخَّرَهَا عَلَيْهِمْ سَبْعَ لَيَالٍۢ وَثَمَٰنِيَةَ أَيَّامٍ حُسُومًۭا فَتَرَى ٱلْقَوْمَ فِيهَا صَرْعَىٰ كَأَنَّهُمْ أَعْجَازُ نَخْلٍ خَاوِيَةٍۢ
Hij (Allah) liet haar tegen hen woeden, gedurende zeven nachten en acht dagen, achtereenvolgend, waarop jij het volk daar had kunnen zien liggen, alsof zij geveld waren als palmstammen.
فَهَلْ تَرَىٰ لَهُم مِّنۢ بَاقِيَةٍۢ
Zie jij dan nog iemand van hen die is overgebleven?
وَجَآءَ فِرْعَوْنُ وَمَن قَبْلَهُۥ وَٱلْمُؤْتَفِكَٰتُ بِٱلْخَاطِئَةِ
En Fir'aun en degenen die er vóór hem waren en de (bewoners van) de op hun fundamenten gekeerde steden pleegden grote zonden.
فَعَصَوْا۟ رَسُولَ رَبِّهِمْ فَأَخَذَهُمْ أَخْذَةًۭ رَّابِيَةً
En zij waren ongehoorzaam aan de Boodschapper van hun Heer. Toen groep Hij hen met een krachtige bestraffing.
إِنَّا لَمَّا طَغَا ٱلْمَآءُ حَمَلْنَٰكُمْ فِى ٱلْجَارِيَةِ
Voorwaar, toen het water overstroomde, droegen Wij jullie (voorvader Nôeh en zijn familie) in het vaartuig (de ark).
لِنَجْعَلَهَا لَكُمْ تَذْكِرَةًۭ وَتَعِيَهَآ أُذُنٌۭ وَٰعِيَةٌۭ
Opdat Wij dit voor jullie tot een vermaning zouden maken en opdat een aandachtig oor er aandacht aan zou schenken.
فَإِذَا نُفِخَ فِى ٱلصُّورِ نَفْخَةٌۭ وَٰحِدَةٌۭ
Wanneer dan op de bazuin geblazen wordt met één stoot.
وَحُمِلَتِ ٱلْأَرْضُ وَٱلْجِبَالُ فَدُكَّتَا دَكَّةًۭ وَٰحِدَةًۭ
En de aarde en de bergen worden opgetild en dan in één klap worden verpulverd.
فَيَوْمَئِذٍۢ وَقَعَتِ ٱلْوَاقِعَةُ
Op die Dag zal de gebeurtenis plaatsvinden.
وَٱنشَقَّتِ ٱلسَّمَآءُ فَهِىَ يَوْمَئِذٍۢ وَاهِيَةٌۭ
En de hemel zal splijten, dan wordt zij broos.
وَٱلْمَلَكُ عَلَىٰٓ أَرْجَآئِهَا ۚ وَيَحْمِلُ عَرْشَ رَبِّكَ فَوْقَهُمْ يَوْمَئِذٍۢ ثَمَٰنِيَةٌۭ
En de Engelen zullen zich op haar randen bevinden en acht (van hen) zullen op die Dag de Troon van jouw Heer boven zich dragen.
يَوْمَئِذٍۢ تُعْرَضُونَ لَا تَخْفَىٰ مِنكُمْ خَافِيَةٌۭ
Op die Dag zullen jullie voorgeleid worden, geen van jullie geheimen zal verborgen blijven.
فَأَمَّا مَنْ أُوتِىَ كِتَٰبَهُۥ بِيَمِينِهِۦ فَيَقُولُ هَآؤُمُ ٱقْرَءُوا۟ كِتَٰبِيَهْ
Wat betreft degene die dan zijn boek in zijn rechterhand gegeven zal worden, hij zal zeggen: "Neemt, en leest mijn boek voor.
إِنِّى ظَنَنتُ أَنِّى مُلَٰقٍ حِسَابِيَهْ
Voorwaar, ik was ervan overtuigd dat ik mijn afrekening zou ontmoeten."
فَهُوَ فِى عِيشَةٍۢ رَّاضِيَةٍۢ
Hij zal dan een leven van welbehagen leiden.
فِى جَنَّةٍ عَالِيَةٍۢ
In een hooggelegen Tuin (het Paradijs).
قُطُوفُهَا دَانِيَةٌۭ
Haar vruchten hangen nabij.
كُلُوا۟ وَٱشْرَبُوا۟ هَنِيٓـًٔۢا بِمَآ أَسْلَفْتُمْ فِى ٱلْأَيَّامِ ٱلْخَالِيَةِ
(Er wordt gezegd:) "Eet en drinkt smakelijk wegens wat jullie hebben verricht in de vroegere dagen."
وَأَمَّا مَنْ أُوتِىَ كِتَٰبَهُۥ بِشِمَالِهِۦ فَيَقُولُ يَٰلَيْتَنِى لَمْ أُوتَ كِتَٰبِيَهْ
En wat betreft degene die zijn boek in zijn linkerhand gegeven zal worden, hij zal zeggen: "Wee mij! Was mijn boek maar niet (aan mij) gegeven!
وَلَمْ أَدْرِ مَا حِسَابِيَهْ
En ik weet niet hoe mij afrekening zal zijn.
يَٰلَيْتَهَا كَانَتِ ٱلْقَاضِيَةَ
Was de dood maar de beëindiger van alles.
مَآ أَغْنَىٰ عَنِّى مَالِيَهْ ۜ
Mijn bezittingen baten mij niet.
هَلَكَ عَنِّى سُلْطَٰنِيَهْ
Mijn macht is van mij heengegaan."
خُذُوهُ فَغُلُّوهُ
(Allah zegt:) "Grijpt hem en bindt zijn handen om zijn nek.
ثُمَّ ٱلْجَحِيمَ صَلُّوهُ
En doet hem in Djahîm (de Hel) binnengaan.
ثُمَّ فِى سِلْسِلَةٍۢ ذَرْعُهَا سَبْعُونَ ذِرَاعًۭا فَٱسْلُكُوهُ
Voert hem daarna binnen in ketenen waarvan de lengte zeventig ellen is.''
إِنَّهُۥ كَانَ لَا يُؤْمِنُ بِٱللَّهِ ٱلْعَظِيمِ
Voorwaar, hij geloofde niet in Allah, de Geweldige.
وَلَا يَحُضُّ عَلَىٰ طَعَامِ ٱلْمِسْكِينِ
En hij moedigde niet aan tot het voeden van de armen.
فَلَيْسَ لَهُ ٱلْيَوْمَ هَٰهُنَا حَمِيمٌۭ
Op deze Dag heeft hij hier geen trouwe vriend.
وَلَا طَعَامٌ إِلَّا مِنْ غِسْلِينٍۢ
En er is geen voedsel den etter.
لَّا يَأْكُلُهُۥٓ إِلَّا ٱلْخَٰطِـُٔونَ
Niemand eet dat dan de zondaren.
فَلَآ أُقْسِمُ بِمَا تُبْصِرُونَ
Zo waarlijk zweer Ik bij wat jullie zien.
وَمَا لَا تُبْصِرُونَ
En bij wat jullie niet zien.
إِنَّهُۥ لَقَوْلُ رَسُولٍۢ كَرِيمٍۢ
Voorwaar, het is zeker het Woord (verkondigd door) een nobele Boodschapper.
وَمَا هُوَ بِقَوْلِ شَاعِرٍۢ ۚ قَلِيلًۭا مَّا تُؤْمِنُونَ
En het is niet het woord van een dichter. Weinig is het dat jullie geloven.
وَلَا بِقَوْلِ كَاهِنٍۢ ۚ قَلِيلًۭا مَّا تَذَكَّرُونَ
En het is niet het woord van een waarzegger. Weinig is de lering die jullie er uit trekken.
تَنزِيلٌۭ مِّن رَّبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ
(Het is) een neerzending van de Heer der Werelden.
وَلَوْ تَقَوَّلَ عَلَيْنَا بَعْضَ ٱلْأَقَاوِيلِ
En als hij (Moehammad) een paar woorden had verzonnen in Onze Naam.
لَأَخَذْنَا مِنْهُ بِٱلْيَمِينِ
Dan zouden Wij hem met kracht gegrepen hebben.
ثُمَّ لَقَطَعْنَا مِنْهُ ٱلْوَتِينَ
En dan zouden Wij zijn hartslagader doorgesneden hebben.
فَمَا مِنكُم مِّنْ أَحَدٍ عَنْهُ حَٰجِزِينَ
En niemand van jullie zou dat voor hem kunnen verhinderen.
وَإِنَّهُۥ لَتَذْكِرَةٌۭ لِّلْمُتَّقِينَ
En voorwaar, hij (de Koran) is zeker een Vermaning voor de Moettaqôen.
وَإِنَّا لَنَعْلَمُ أَنَّ مِنكُم مُّكَذِّبِينَ
En voorwaar, Wij kennen zeker de loochenaars onder jullie.
وَإِنَّهُۥ لَحَسْرَةٌ عَلَى ٱلْكَٰفِرِينَ
En voorwaar, hij (de Koran) zal voor de ongelovigen zeker een oorzaak van spijt zijn.
وَإِنَّهُۥ لَحَقُّ ٱلْيَقِينِ
En voorwaar, het is een zekere Waarheid.
فَسَبِّحْ بِٱسْمِ رَبِّكَ ٱلْعَظِيمِ
Prijs daarom de Naam van jouw Heer, de Geweldige.
Surah 70: Al-Ma'arij — المعارج
سَأَلَ سَآئِلٌۢ بِعَذَابٍۢ وَاقِعٍۢ
Een vraagsteller vroeg over een bestraffing die vallen zal.
لِّلْكَٰفِرِينَ لَيْسَ لَهُۥ دَافِعٌۭ
Voor de ongelovigen is er geen afweer tegen.
مِّنَ ٱللَّهِ ذِى ٱلْمَعَارِجِ
(Die komt) van Allah, de Bezitter van de trappen.
تَعْرُجُ ٱلْمَلَٰٓئِكَةُ وَٱلرُّوحُ إِلَيْهِ فِى يَوْمٍۢ كَانَ مِقْدَارُهُۥ خَمْسِينَ أَلْفَ سَنَةٍۢ
(Waarvandaan) de Engelen en de Geest (Djibrîl) tot Hem opstijgen in een dag waarvan de maat vijftigduizend jaren is.
فَٱصْبِرْ صَبْرًۭا جَمِيلًا
Volhard daarom geduldig op gepaste wijze.
إِنَّهُمْ يَرَوْنَهُۥ بَعِيدًۭا
Voorwaar, zij zien haar (de bestraffing) van ver weg.
وَنَرَىٰهُ قَرِيبًۭا
Maar Wij zien haar van nabij.
يَوْمَ تَكُونُ ٱلسَّمَآءُ كَٱلْمُهْلِ
Op die Dag zal de hemel als gesmolten metaal zijn.
وَتَكُونُ ٱلْجِبَالُ كَٱلْعِهْنِ
En zullen de bergen als (vlokken) wol zijn.
وَلَا يَسْـَٔلُ حَمِيمٌ حَمِيمًۭا
En geen trouwe vriend zal naar een (andere) trouwe vriend vragen.
يُبَصَّرُونَهُمْ ۚ يَوَدُّ ٱلْمُجْرِمُ لَوْ يَفْتَدِى مِنْ عَذَابِ يَوْمِئِذٍۭ بِبَنِيهِ
Zij kijken naar elkaar. De misdadiger zal wensen dat hij zich van de bestraffing van die Dag kan vrijkopen met zijn kinderen.
وَصَٰحِبَتِهِۦ وَأَخِيهِ
En met zijn vrouw en zijn broeder.
وَفَصِيلَتِهِ ٱلَّتِى تُـْٔوِيهِ
En zijn bloedverwanten die hem verzorgden.
وَمَن فِى ٱلْأَرْضِ جَمِيعًۭا ثُمَّ يُنجِيهِ
En (hij wenst dat) allen die er op aarde zijn hem dan redden.
كَلَّآ ۖ إِنَّهَا لَظَىٰ
Nee, beslist niet! Voorwaar, zij is de Lazhâ (de Hel).
نَزَّاعَةًۭ لِّلشَّوَىٰ
Die de hoofdhuid wegrukt.
تَدْعُوا۟ مَنْ أَدْبَرَ وَتَوَلَّىٰ
Zij roept wie zijn rug toekeerde en zich afwendde.
وَجَمَعَ فَأَوْعَىٰٓ
Die (rijkdommen) verzamelde en achterhield.
۞ إِنَّ ٱلْإِنسَٰنَ خُلِقَ هَلُوعًا
Voorwaar, de mens is onstandvastig geschapen.
إِذَا مَسَّهُ ٱلشَّرُّ جَزُوعًۭا
Als het kwade hem treft is hij teneergeslagen.
وَإِذَا مَسَّهُ ٱلْخَيْرُ مَنُوعًا
En als het goede hem overkomt, is hij gierig.
إِلَّا ٱلْمُصَلِّينَ
Behalve degenen die de shalât verrichten.
ٱلَّذِينَ هُمْ عَلَىٰ صَلَاتِهِمْ دَآئِمُونَ
Degenen die hun shalât blijven onderhouden.
وَٱلَّذِينَ فِىٓ أَمْوَٰلِهِمْ حَقٌّۭ مَّعْلُومٌۭ
En degenen in wier bezittingen een rechtmatig deel is.
لِّلسَّآئِلِ وَٱلْمَحْرُومِ
Voor de bedelaar en de behoeftige die niet bedelt.
وَٱلَّذِينَ يُصَدِّقُونَ بِيَوْمِ ٱلدِّينِ
En degenen die van de Dag des Oordeels overtuigd zijn.
وَٱلَّذِينَ هُم مِّنْ عَذَابِ رَبِّهِم مُّشْفِقُونَ
En degenen die de bestraffing van hun Heer vrezen.
إِنَّ عَذَابَ رَبِّهِمْ غَيْرُ مَأْمُونٍۢ
Voorwaar, voor de bestraffing van hun Heer is niemand veilig.
وَٱلَّذِينَ هُمْ لِفُرُوجِهِمْ حَٰفِظُونَ
En degenen die over hun kuisheid waken.
إِلَّا عَلَىٰٓ أَزْوَٰجِهِمْ أَوْ مَا مَلَكَتْ أَيْمَٰنُهُمْ فَإِنَّهُمْ غَيْرُ مَلُومِينَ
Behalve bij hun vrouwen en de slaven waarover zij beschikken, er wordt hen dan niets verweten.
فَمَنِ ٱبْتَغَىٰ وَرَآءَ ذَٰلِكَ فَأُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلْعَادُونَ
Wie dan daarnaast nog iets zoekt: zij zijn degenen die de overtreders zijn.
وَٱلَّذِينَ هُمْ لِأَمَٰنَٰتِهِمْ وَعَهْدِهِمْ رَٰعُونَ
En degenen die over het hun toevertrouwde (Amânah) en hun beloften waken.
وَٱلَّذِينَ هُم بِشَهَٰدَٰتِهِمْ قَآئِمُونَ
En degenen die trouw zijn bij hun getuigenissen.
وَٱلَّذِينَ هُمْ عَلَىٰ صَلَاتِهِمْ يُحَافِظُونَ
En degenen die waken over hun shalât.
أُو۟لَٰٓئِكَ فِى جَنَّٰتٍۢ مُّكْرَمُونَ
Zij zijn degenen die in de Tuinen (het Paradijs) geëerd zullen worden.
فَمَالِ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ قِبَلَكَ مُهْطِعِينَ
Wat is er met degenen die niet geloven, dat zij zich naar jou haasten?
عَنِ ٱلْيَمِينِ وَعَنِ ٱلشِّمَالِ عِزِينَ
Van rechts en van links, in groepen?
أَيَطْمَعُ كُلُّ ٱمْرِئٍۢ مِّنْهُمْ أَن يُدْخَلَ جَنَّةَ نَعِيمٍۢ
Wenst een ieder van hen dat hij de Tuin der gelukzaligheid (het Paradijs) binnengevoerd wordt?
كَلَّآ ۖ إِنَّا خَلَقْنَٰهُم مِّمَّا يَعْلَمُونَ
Nee! Voorwaar, Wij hebben hen geschapen van wat zij weten.
فَلَآ أُقْسِمُ بِرَبِّ ٱلْمَشَٰرِقِ وَٱلْمَغَٰرِبِ إِنَّا لَقَٰدِرُونَ
Ik zweer bij de Heer van de opgang (van o.a. de zon) en de ondergang dat Wij zeker over de macht beschikken.
عَلَىٰٓ أَن نُّبَدِّلَ خَيْرًۭا مِّنْهُمْ وَمَا نَحْنُ بِمَسْبُوقِينَ
Om hen te vervangen (door anderen die) beter dan hen zijn en Wij zijn niet zwak.
فَذَرْهُمْ يَخُوضُوا۟ وَيَلْعَبُوا۟ حَتَّىٰ يُلَٰقُوا۟ يَوْمَهُمُ ٱلَّذِى يُوعَدُونَ
Laat hen maar opgaan (in hun ijdele bezigheden) en laat hen spelen tot zij de Dag van hen, die hen aangezegd was, ontmoeten.
يَوْمَ يَخْرُجُونَ مِنَ ٱلْأَجْدَاثِ سِرَاعًۭا كَأَنَّهُمْ إِلَىٰ نُصُبٍۢ يُوفِضُونَ
Op de Dag waarop zij zich haastig uit hun graven spoeden, alsof zij zich naar afgodsbeelden spoeden.
خَٰشِعَةً أَبْصَٰرُهُمْ تَرْهَقُهُمْ ذِلَّةٌۭ ۚ ذَٰلِكَ ٱلْيَوْمُ ٱلَّذِى كَانُوا۟ يُوعَدُونَ
Hun blikken angstig teneergeslagen, overladen met vernedering. Dit is de Dag die jullie werd aangezegd.
Surah 71: Nuh — نوح
إِنَّآ أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوْمِهِۦٓ أَنْ أَنذِرْ قَوْمَكَ مِن قَبْلِ أَن يَأْتِيَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌۭ
Voorwaar, Wij hebben Nôeh tot zijn volk gezonden (en zeiden tot hem): "Waarschuw jouw volk voordat er een pijnlijke bestraffing tot hen komt."
قَالَ يَٰقَوْمِ إِنِّى لَكُمْ نَذِيرٌۭ مُّبِينٌ
Hij zei: "O mijn volk, ik ben voor jullie een duidelijke waarschuwer.
أَنِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ وَٱتَّقُوهُ وَأَطِيعُونِ
Aanbidt Allah en vreest Hem en gehoorzaamt mij.
يَغْفِرْ لَكُم مِّن ذُنُوبِكُمْ وَيُؤَخِّرْكُمْ إِلَىٰٓ أَجَلٍۢ مُّسَمًّى ۚ إِنَّ أَجَلَ ٱللَّهِ إِذَا جَآءَ لَا يُؤَخَّرُ ۖ لَوْ كُنتُمْ تَعْلَمُونَ
Dan zal Hij jullie zonden vergeven en jullie uitstel geven tot een vastgesteld tijdstip. Voorwaar, wanneer het tijdstip van Allah komt, zal het niet worden uitgesteld. Als jullie dat wisten!''
قَالَ رَبِّ إِنِّى دَعَوْتُ قَوْمِى لَيْلًۭا وَنَهَارًۭا
Hij (Nôeh) zei: "Mijn Heer, ik heb mijn volk dag en nacht opgeroepen.
فَلَمْ يَزِدْهُمْ دُعَآءِىٓ إِلَّا فِرَارًۭا
Maar mijn oproep deed hun vluchten (van de Waarheid) slechts toenemen.
وَإِنِّى كُلَّمَا دَعَوْتُهُمْ لِتَغْفِرَ لَهُمْ جَعَلُوٓا۟ أَصَٰبِعَهُمْ فِىٓ ءَاذَانِهِمْ وَٱسْتَغْشَوْا۟ ثِيَابَهُمْ وَأَصَرُّوا۟ وَٱسْتَكْبَرُوا۟ ٱسْتِكْبَارًۭا
En voorwaar, telkens wanneer ik hen opriep opdat U hun zou vergeven, stopten zij hun vingers in hun oren en bedekten zij (hun gezichten) met hun kleding en bleven zij uiterst hoogmoedig.
ثُمَّ إِنِّى دَعَوْتُهُمْ جِهَارًۭا
Toen heb ik hen waarlijk met een harde stem opgeroepen.
ثُمَّ إِنِّىٓ أَعْلَنتُ لَهُمْ وَأَسْرَرْتُ لَهُمْ إِسْرَارًۭا
Vervolgens heb ik hun waarlijk openlijk toegesproken en hun vertrouwelijk toegesproken, heimelijk.''
فَقُلْتُ ٱسْتَغْفِرُوا۟ رَبَّكُمْ إِنَّهُۥ كَانَ غَفَّارًۭا
Toen zei ik: "Vraagt jullie Heer om vergeving: voorwaar, Hij is Vergevensgezind.
يُرْسِلِ ٱلسَّمَآءَ عَلَيْكُم مِّدْرَارًۭا
Hij zal dan overvloedige regens uit de hemel over jullie neerzenden.
وَيُمْدِدْكُم بِأَمْوَٰلٍۢ وَبَنِينَ وَيَجْعَل لَّكُمْ جَنَّٰتٍۢ وَيَجْعَل لَّكُمْ أَنْهَٰرًۭا
En jullie bezittingen en kinderen vermeerderen en Hij zal jullie tuinen schenken en Hij zal jullie rivieren schenken.
مَّا لَكُمْ لَا تَرْجُونَ لِلَّهِ وَقَارًۭا
Wat is er met jullie, dat jullie de Grootheid van Allah niet vrezen?
وَقَدْ خَلَقَكُمْ أَطْوَارًا
Terwijl Hij jullie waarlijk in fasen heeft geschapen?
أَلَمْ تَرَوْا۟ كَيْفَ خَلَقَ ٱللَّهُ سَبْعَ سَمَٰوَٰتٍۢ طِبَاقًۭا
Zien jullie niet hoe Allah de zeven hemelen in lagen heeft geschapen?
وَجَعَلَ ٱلْقَمَرَ فِيهِنَّ نُورًۭا وَجَعَلَ ٱلشَّمْسَ سِرَاجًۭا
En Hij heeft daarin de maan geplaatst als een licht en de zon als een lamp.
وَٱللَّهُ أَنۢبَتَكُم مِّنَ ٱلْأَرْضِ نَبَاتًۭا
En Allah heeft jullie als schepselen voortgebracht uit de aarde.
ثُمَّ يُعِيدُكُمْ فِيهَا وَيُخْرِجُكُمْ إِخْرَاجًۭا
Daarna keert Hij jullie in haar terug en brengt Hij jullie weer tevoorschijn.
وَٱللَّهُ جَعَلَ لَكُمُ ٱلْأَرْضَ بِسَاطًۭا
En Allah heeft voor jullie de aarde als een tapijt uitgespreid.
لِّتَسْلُكُوا۟ مِنْهَا سُبُلًۭا فِجَاجًۭا
Opdat jullie haar over brede wegen bereizen."
قَالَ نُوحٌۭ رَّبِّ إِنَّهُمْ عَصَوْنِى وَٱتَّبَعُوا۟ مَن لَّمْ يَزِدْهُ مَالُهُۥ وَوَلَدُهُۥٓ إِلَّا خَسَارًۭا
Nôeh zei: "Mijn Heer, zij gehoorzamen mij niet, en zij volgen degene wiens bezit en kinderen voor hen slechts verlies vermeerdert.
وَمَكَرُوا۟ مَكْرًۭا كُبَّارًۭا
En zij beraamden een grote list.
وَقَالُوا۟ لَا تَذَرُنَّ ءَالِهَتَكُمْ وَلَا تَذَرُنَّ وَدًّۭا وَلَا سُوَاعًۭا وَلَا يَغُوثَ وَيَعُوقَ وَنَسْرًۭا
En zij zeiden: "Verlaat jullie goden niet en verlaat Wadd niet, en niet Soewâ'a, en niet Yaghôets en Ya'ôeq en Nasr."
وَقَدْ أَضَلُّوا۟ كَثِيرًۭا ۖ وَلَا تَزِدِ ٱلظَّٰلِمِينَ إِلَّا ضَلَٰلًۭا
En waarlijk, zij deden velen dwalen. En (O Allah) doe voor de onrechtplegers slechts de dwaling toenemen."
مِّمَّا خَطِيٓـَٰٔتِهِمْ أُغْرِقُوا۟ فَأُدْخِلُوا۟ نَارًۭا فَلَمْ يَجِدُوا۟ لَهُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ أَنصَارًۭا
Vanwege hun zonden werden zij verdronken en daarna in de Hel gevoerd. En zij vonden buiten Allah om voor zich geen helpers.
وَقَالَ نُوحٌۭ رَّبِّ لَا تَذَرْ عَلَى ٱلْأَرْضِ مِنَ ٱلْكَٰفِرِينَ دَيَّارًا
En Nôeh zei: "Mijn Heer, laat op de aarde geen enkele ongelovige in leven.
إِنَّكَ إِن تَذَرْهُمْ يُضِلُّوا۟ عِبَادَكَ وَلَا يَلِدُوٓا۟ إِلَّا فَاجِرًۭا كَفَّارًۭا
Voorwaar, als U hen (in leven) laat, zullen zij Uw dienaren doen dwalen en zij brengen niets voort dan losbandige ongelovigen.
رَّبِّ ٱغْفِرْ لِى وَلِوَٰلِدَىَّ وَلِمَن دَخَلَ بَيْتِىَ مُؤْمِنًۭا وَلِلْمُؤْمِنِينَ وَٱلْمُؤْمِنَٰتِ وَلَا تَزِدِ ٱلظَّٰلِمِينَ إِلَّا تَبَارًۢا
Mijn Heer, vergeef mij en mijn ouders en wie mijn huis binnentreedt als gelovige, en de gelovige mannen en de gelovige vrouwen. En doe voor de onrechtplegers slechts de vernietiging toenemen."
Surah 72: Al-Jinn — الجن
قُلْ أُوحِىَ إِلَىَّ أَنَّهُ ٱسْتَمَعَ نَفَرٌۭ مِّنَ ٱلْجِنِّ فَقَالُوٓا۟ إِنَّا سَمِعْنَا قُرْءَانًا عَجَبًۭا
Zeg (O Moehammad): "Het is aan mij geopenbaard dat een aantal Djinn's heeft meegeluisterd, waarop zij zeiden: "Voorwaar, Wij hebben een verbazingwekkende Koran gehoord.
يَهْدِىٓ إِلَى ٱلرُّشْدِ فَـَٔامَنَّا بِهِۦ ۖ وَلَن نُّشْرِكَ بِرَبِّنَآ أَحَدًۭا
Hij (de Koran) leidt tot het juiste, toen geloofden wij erin, en wij zullen nooit één deelgenoot aan onze Heer toekennen.
وَأَنَّهُۥ تَعَٰلَىٰ جَدُّ رَبِّنَا مَا ٱتَّخَذَ صَٰحِبَةًۭ وَلَا وَلَدًۭا
En dat de Majesteit van onze Heer Verheven is, Hij heeft Zich geen echtgenote genomen en geen zoon.
وَأَنَّهُۥ كَانَ يَقُولُ سَفِيهُنَا عَلَى ٱللَّهِ شَطَطًۭا
En dat de dwazen onder ons plachten leugens te vertellen over Allah.
وَأَنَّا ظَنَنَّآ أَن لَّن تَقُولَ ٱلْإِنسُ وَٱلْجِنُّ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًۭا
En dat wij dachten dat de mens en de Djinn's nooit leugens over Allah zouden vertellen.
وَأَنَّهُۥ كَانَ رِجَالٌۭ مِّنَ ٱلْإِنسِ يَعُوذُونَ بِرِجَالٍۢ مِّنَ ٱلْجِنِّ فَزَادُوهُمْ رَهَقًۭا
En dat er mannen onder de mensen waren die hulp zochten bij mannen van de Djinn's, wat hun zondigheid vermeerderde.
وَأَنَّهُمْ ظَنُّوا۟ كَمَا ظَنَنتُمْ أَن لَّن يَبْعَثَ ٱللَّهُ أَحَدًۭا
En dat zij dachten zoals jullie dachten: dat Allah nooit iemand zou doen opstaan.
وَأَنَّا لَمَسْنَا ٱلسَّمَآءَ فَوَجَدْنَٰهَا مُلِئَتْ حَرَسًۭا شَدِيدًۭا وَشُهُبًۭا
En dat wij hebben gevraagd naar de hemel (te mogen gaan): toen vonden wij dat zij vol was met strenge bewakers en brandende vlammen.
وَأَنَّا كُنَّا نَقْعُدُ مِنْهَا مَقَٰعِدَ لِلسَّمْعِ ۖ فَمَن يَسْتَمِعِ ٱلْءَانَ يَجِدْ لَهُۥ شِهَابًۭا رَّصَدًۭا
En dat, wij vroeger (vóór de Koran) op geheime plaatsen zaten om mee te luisteren, maar wie nu wil meeluisteren treft een pijl van vuur aan die op hem loert.
وَأَنَّا لَا نَدْرِىٓ أَشَرٌّ أُرِيدَ بِمَن فِى ٱلْأَرْضِ أَمْ أَرَادَ بِهِمْ رَبُّهُمْ رَشَدًۭا
En dat wij niet weten of er kwaad bedoeld wordt voor degenen die op de aarde zijn, of dat hun Heer hun rechte Leiding wil geven.
وَأَنَّا مِنَّا ٱلصَّٰلِحُونَ وَمِنَّا دُونَ ذَٰلِكَ ۖ كُنَّا طَرَآئِقَ قِدَدًۭا
En dat er onder ons rechtschapenen zijn, en er onder ons zijn die dat niet zijn. Wij waren op verschillende wegen.
وَأَنَّا ظَنَنَّآ أَن لَّن نُّعْجِزَ ٱللَّهَ فِى ٱلْأَرْضِ وَلَن نُّعْجِزَهُۥ هَرَبًۭا
En dat wij overtuigd zijn dat wij op de aarde Allah nooit kunnen ontkomen en dat wij nooit van Hem kunnen wegvluchten.
وَأَنَّا لَمَّا سَمِعْنَا ٱلْهُدَىٰٓ ءَامَنَّا بِهِۦ ۖ فَمَن يُؤْمِنۢ بِرَبِّهِۦ فَلَا يَخَافُ بَخْسًۭا وَلَا رَهَقًۭا
En dat, toen wij over de rechte Leiding hadden gehoord, wij erin geloofden. En wie in zijn Heer gelooft; hij zal geen vermindering (van beloning) en geen vermeerdering (van zondigheid) vrezen.
وَأَنَّا مِنَّا ٱلْمُسْلِمُونَ وَمِنَّا ٱلْقَٰسِطُونَ ۖ فَمَنْ أَسْلَمَ فَأُو۟لَٰٓئِكَ تَحَرَّوْا۟ رَشَدًۭا
En dat er onder ons zijn die zich aan Allah hebben overgegeven, en er onder ons zijn die afwijken (van het rechte Pad). Wie zich heeft overgegeven: zij zijn degenen die de rechte Leiding gekozen hebben.
وَأَمَّا ٱلْقَٰسِطُونَ فَكَانُوا۟ لِجَهَنَّمَ حَطَبًۭا
Maar wat de afwijkenden betreft: zij zijn brandhout voor de Hel."
وَأَلَّوِ ٱسْتَقَٰمُوا۟ عَلَى ٱلطَّرِيقَةِ لَأَسْقَيْنَٰهُم مَّآءً غَدَقًۭا
(En Allah zegt:) "Als zij op het rechte Pad zouden zijn gebleven, dan zouden Wij hun overvloedig water te drinken gegeven hebben.
لِّنَفْتِنَهُمْ فِيهِ ۚ وَمَن يُعْرِضْ عَن ذِكْرِ رَبِّهِۦ يَسْلُكْهُ عَذَابًۭا صَعَدًۭا
Om hen daarmee te beproeven. En wie zich afwendt van de gedachtenis van zijn Heer, die voert Hij naar een zware bestraffing."
وَأَنَّ ٱلْمَسَٰجِدَ لِلَّهِ فَلَا تَدْعُوا۟ مَعَ ٱللَّهِ أَحَدًۭا
En voorwaar, de moskeeën behoren aan Allah toe: roept dan naast Allah niet één aan.
وَأَنَّهُۥ لَمَّا قَامَ عَبْدُ ٱللَّهِ يَدْعُوهُ كَادُوا۟ يَكُونُونَ عَلَيْهِ لِبَدًۭا
En voorwaar, wanneer de dienaar van Allah (Moehammed) in de shalât staat en Hem aanroept, dan bedelven zij (de Djinn's) hem bijna.
قُلْ إِنَّمَآ أَدْعُوا۟ رَبِّى وَلَآ أُشْرِكُ بِهِۦٓ أَحَدًۭا
Zeg: "Ik roep alleen mijn Heer aan en ik ken Hem in niets deelgenoten toe."
قُلْ إِنِّى لَآ أَمْلِكُ لَكُمْ ضَرًّۭا وَلَا رَشَدًۭا
Zeg: "Ik heb geen macht om voor jullie schade te voorkomen en niet om Leiding te geven."
قُلْ إِنِّى لَن يُجِيرَنِى مِنَ ٱللَّهِ أَحَدٌۭ وَلَنْ أَجِدَ مِن دُونِهِۦ مُلْتَحَدًا
Zeg: "Niemand zal mij ooit tegen Allah kunnen redden en ik zal nooit naast Hem een toevluchtsoord vinden.
إِلَّا بَلَٰغًۭا مِّنَ ٱللَّهِ وَرِسَٰلَٰتِهِۦ ۚ وَمَن يَعْصِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ فَإِنَّ لَهُۥ نَارَ جَهَنَّمَ خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدًا
(Ik vind een toevluchtsoord) van Allah slechts door de verkondiging van Zijn Boodschappen." En wie opstaat tegen Allah en Zijn Boodschapper: voor hen is er het vuur van de Hel. Zij zijn daarin eeuwig levenden, voor altijd.
حَتَّىٰٓ إِذَا رَأَوْا۟ مَا يُوعَدُونَ فَسَيَعْلَمُونَ مَنْ أَضْعَفُ نَاصِرًۭا وَأَقَلُّ عَدَدًۭا
Wanneer zij dan zien wat hun is aangezegd, dan zullen zij weten wie de zwakste helpers heeft en het kleinst in aantal is.
قُلْ إِنْ أَدْرِىٓ أَقَرِيبٌۭ مَّا تُوعَدُونَ أَمْ يَجْعَلُ لَهُۥ رَبِّىٓ أَمَدًا
Zeg: "Ik weet niet of het nabij is, wat jullie aangezegd is, of dat mijn Heer het nog lang uitstelt."
عَٰلِمُ ٱلْغَيْبِ فَلَا يُظْهِرُ عَلَىٰ غَيْبِهِۦٓ أَحَدًا
De Kenner van het onwaarneembare, Hij maakt voor niemand het onwaarneembare dat bij Hem is zichtbaar.
إِلَّا مَنِ ٱرْتَضَىٰ مِن رَّسُولٍۢ فَإِنَّهُۥ يَسْلُكُ مِنۢ بَيْنِ يَدَيْهِ وَمِنْ خَلْفِهِۦ رَصَدًۭا
Behalve aan een Boodschapper die Hem welgevallig is, en voorwaar, dan laat Hij vóór hem en achter hem wachters (Engelen) gaan.
لِّيَعْلَمَ أَن قَدْ أَبْلَغُوا۟ رِسَٰلَٰتِ رَبِّهِمْ وَأَحَاطَ بِمَا لَدَيْهِمْ وَأَحْصَىٰ كُلَّ شَىْءٍ عَدَدًۢا
Om te doen weten dat zij de Boodschappen van hun Heer overbrachten. En Hij omvat wat er bij hen is en Hij somt alle zaken nauwkeurig op.
Surah 73: Al-Muzzammil — المزمل
يَٰٓأَيُّهَا ٱلْمُزَّمِّلُ
O jij omhulde.
قُمِ ٱلَّيْلَ إِلَّا قَلِيلًۭا
Sta op in de nacht om de shalât te verrichten, met uitzondering van een kort gedeelte (van de nacht).
نِّصْفَهُۥٓ أَوِ ٱنقُصْ مِنْهُ قَلِيلًا
De helft ervan of iets minder dan dat.
أَوْ زِدْ عَلَيْهِ وَرَتِّلِ ٱلْقُرْءَانَ تَرْتِيلًا
Of maak het iets langer en draag de Koran voor, nauwkeurig.
إِنَّا سَنُلْقِى عَلَيْكَ قَوْلًۭا ثَقِيلًا
Voorwaar, Wij zullen zware Woorden tot jou neerzenden.
إِنَّ نَاشِئَةَ ٱلَّيْلِ هِىَ أَشَدُّ وَطْـًۭٔا وَأَقْوَمُ قِيلًا
Voorwaar, het opstaan in de nacht (om te bidden) is zwaarder en maakt het woord zekerder.
إِنَّ لَكَ فِى ٱلنَّهَارِ سَبْحًۭا طَوِيلًۭا
Voorwaar, jij bent overdag belast met vele aangelegenheden.
وَٱذْكُرِ ٱسْمَ رَبِّكَ وَتَبَتَّلْ إِلَيْهِ تَبْتِيلًۭا
En gedenk de Naam van jouw Heer en wijd je geheel aan Hem.
رَّبُّ ٱلْمَشْرِقِ وَٱلْمَغْرِبِ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ فَٱتَّخِذْهُ وَكِيلًۭا
De Heer van de opgang (van de zon etc.) en de ondergang, geen god is er dan Hij, neem Hem daarom als Beschermer.
وَٱصْبِرْ عَلَىٰ مَا يَقُولُونَ وَٱهْجُرْهُمْ هَجْرًۭا جَمِيلًۭا
En wees geduldig met wat zij zeggen en houd op gepaste wijze afstand van hen.
وَذَرْنِى وَٱلْمُكَذِّبِينَ أُو۟لِى ٱلنَّعْمَةِ وَمَهِّلْهُمْ قَلِيلًا
En Laat de loochenaars, de bezitters van weelde, aan Mij over, en geef hen nog even uitstel.
إِنَّ لَدَيْنَآ أَنكَالًۭا وَجَحِيمًۭا
Voorwaar, bij Ons bevinden zich (voor hen) ketenen en Djahim (de Hel).
وَطَعَامًۭا ذَا غُصَّةٍۢ وَعَذَابًا أَلِيمًۭا
En voedsel dat in de keel blijft steken en een pijnlijke bestraffing.
يَوْمَ تَرْجُفُ ٱلْأَرْضُ وَٱلْجِبَالُ وَكَانَتِ ٱلْجِبَالُ كَثِيبًۭا مَّهِيلًا
Op de Dag waarop de aarde en de bergen heftig zullen beven en de bergen tot uit elkaar geblazen stof zullen worden.
إِنَّآ أَرْسَلْنَآ إِلَيْكُمْ رَسُولًۭا شَٰهِدًا عَلَيْكُمْ كَمَآ أَرْسَلْنَآ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ رَسُولًۭا
Voorwaar, Wij hebben een Boodschapper tot jullie gezonden als getuige over jullie, zoals Wij tot Fir'aun een Boodschapper zonden.
فَعَصَىٰ فِرْعَوْنُ ٱلرَّسُولَ فَأَخَذْنَٰهُ أَخْذًۭا وَبِيلًۭا
Toen was Fir'aun de Boodschapper ongehoorzaam, waarop Wij hem grepen met een verschrikkelijke greep.
فَكَيْفَ تَتَّقُونَ إِن كَفَرْتُمْ يَوْمًۭا يَجْعَلُ ٱلْوِلْدَٰنَ شِيبًا
Hoe zullen jullie je dan beschermen, als jullie de Dag waarop de kinderen grijsaards worden ontkennen?
ٱلسَّمَآءُ مُنفَطِرٌۢ بِهِۦ ۚ كَانَ وَعْدُهُۥ مَفْعُولًا
De hemel zal dan gespleten zijn (en) Zijn aanzegging zal zeker uitgevoerd worden.
إِنَّ هَٰذِهِۦ تَذْكِرَةٌۭ ۖ فَمَن شَآءَ ٱتَّخَذَ إِلَىٰ رَبِّهِۦ سَبِيلًا
Voorwaar, dit is een Vermaning en wie wil, laat hem een Weg nemen naar zijn Heer.
۞ إِنَّ رَبَّكَ يَعْلَمُ أَنَّكَ تَقُومُ أَدْنَىٰ مِن ثُلُثَىِ ٱلَّيْلِ وَنِصْفَهُۥ وَثُلُثَهُۥ وَطَآئِفَةٌۭ مِّنَ ٱلَّذِينَ مَعَكَ ۚ وَٱللَّهُ يُقَدِّرُ ٱلَّيْلَ وَٱلنَّهَارَ ۚ عَلِمَ أَن لَّن تُحْصُوهُ فَتَابَ عَلَيْكُمْ ۖ فَٱقْرَءُوا۟ مَا تَيَسَّرَ مِنَ ٱلْقُرْءَانِ ۚ عَلِمَ أَن سَيَكُونُ مِنكُم مَّرْضَىٰ ۙ وَءَاخَرُونَ يَضْرِبُونَ فِى ٱلْأَرْضِ يَبْتَغُونَ مِن فَضْلِ ٱللَّهِ ۙ وَءَاخَرُونَ يُقَٰتِلُونَ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ ۖ فَٱقْرَءُوا۟ مَا تَيَسَّرَ مِنْهُ ۚ وَأَقِيمُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتُوا۟ ٱلزَّكَوٰةَ وَأَقْرِضُوا۟ ٱللَّهَ قَرْضًا حَسَنًۭا ۚ وَمَا تُقَدِّمُوا۟ لِأَنفُسِكُم مِّنْ خَيْرٍۢ تَجِدُوهُ عِندَ ٱللَّهِ هُوَ خَيْرًۭا وَأَعْظَمَ أَجْرًۭا ۚ وَٱسْتَغْفِرُوا۟ ٱللَّهَ ۖ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌۭ رَّحِيمٌۢ
Voorwaar, jouw Heer weet dat jij bijna tweederde van de nacht, of de helft of een derde (in gebed) staat, en (ook) een groep van degenen die bij jou horen. En Allah kent de nacht en de dag. Hij weet dat jullie nooit (de hele nacht) de shalât kunnen verrichten, daarom heeft Hij jullie berouw aanvaard. Verricht van het nachtgebed wat gemakkelijk is voor jullie. Hij weet dat er onder jullie zieken zijn en anderen die door het land reizen, zoekend naar de gunst van Allah, en anderen die strijden op de Weg van Allah. En verricht van het nachtgebed wat gemakkelijk is voor jullie. En onderhoudt de shalât en geeft de zakât en leent aan Allah een goede lening. En wat jullie vooruitzenden voor julliezelf aan goede daden, jullie zullen het bij Allah aantreffen. Het is een betere en grotere beloning. En vraagt Allah om vergeving. Voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.
Surah 74: Al-Muddaththir — المدثر
يَٰٓأَيُّهَا ٱلْمُدَّثِّرُ
O jij ommantelde.
قُمْ فَأَنذِرْ
Sta op en waarschuw.
وَرَبَّكَ فَكَبِّرْ
En prijs de grootheid van jouw Heer
وَثِيَابَكَ فَطَهِّرْ
En reinig jouw kleding.
وَٱلرُّجْزَ فَٱهْجُرْ
En vermijd de zondigheid.
وَلَا تَمْنُن تَسْتَكْثِرُ
En geef niet om meer te ontvangen.
وَلِرَبِّكَ فَٱصْبِرْ
En wees geduldig omwille van jouw Heer.
فَإِذَا نُقِرَ فِى ٱلنَّاقُورِ
Als dan op de bazuin geblazen wordt.
فَذَٰلِكَ يَوْمَئِذٍۢ يَوْمٌ عَسِيرٌ
Dan is dat die Dag, een zware Dag.
عَلَى ٱلْكَٰفِرِينَ غَيْرُ يَسِيرٍۢ
(Die Dag is) voor de ongelovigen niet gemakkelijk.
ذَرْنِى وَمَنْ خَلَقْتُ وَحِيدًۭا
Laat hem aan Mij over die Ik alleenstaand geschapen heb.
وَجَعَلْتُ لَهُۥ مَالًۭا مَّمْدُودًۭا
En Ik heb hem vele bezittingen ter beschikking gesteld.
وَبَنِينَ شُهُودًۭا
En kinderen, voortdurend aan zijn zijde.
وَمَهَّدتُّ لَهُۥ تَمْهِيدًۭا
En Ik verschafte hem gemak in ruime mate.
ثُمَّ يَطْمَعُ أَنْ أَزِيدَ
En vervolgens verlangt hij dat Ik (voor hem) vermeerder.
كَلَّآ ۖ إِنَّهُۥ كَانَ لِءَايَٰتِنَا عَنِيدًۭا
Nee! Hij is opstandig tegen Onze Verzen.
سَأُرْهِقُهُۥ صَعُودًا
Ik zal hem beladen met een zware bestraffing.
إِنَّهُۥ فَكَّرَ وَقَدَّرَ
Voorwaar, hij dacht na en nam een besluit.
فَقُتِلَ كَيْفَ قَدَّرَ
Verdoemd is hij daarom. Hoe vreemd was zijn besluit!
ثُمَّ قُتِلَ كَيْفَ قَدَّرَ
Nogmaals, verdoemd is hij! Hoe vreemd was zijn besluit!
ثُمَّ نَظَرَ
Toen dacht hij weer na.
ثُمَّ عَبَسَ وَبَسَرَ
Daarna fronste hij en keek somber.
ثُمَّ أَدْبَرَ وَٱسْتَكْبَرَ
Vervolgens keerde hij zijn rug toe en was hoogmoedig.
فَقَالَ إِنْ هَٰذَآ إِلَّا سِحْرٌۭ يُؤْثَرُ
En hij zei: "Deze (Koran) is slechts overgedragen tovenarij.
إِنْ هَٰذَآ إِلَّا قَوْلُ ٱلْبَشَرِ
Dit is slechts het woord van een mens."
سَأُصْلِيهِ سَقَرَ
Ik zal hem doen braden in Saqar (de Hel).
وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا سَقَرُ
En wat doet jou weten wat Saqar is?
لَا تُبْقِى وَلَا تَذَرُ
Zij (de Hel) laat niet achter en zij laat niet met rust.
لَوَّاحَةٌۭ لِّلْبَشَرِ
Zij verschroeit (de huid) van de mens.
عَلَيْهَا تِسْعَةَ عَشَرَ
Over haar waken negentien (Engelen).
وَمَا جَعَلْنَآ أَصْحَٰبَ ٱلنَّارِ إِلَّا مَلَٰٓئِكَةًۭ ۙ وَمَا جَعَلْنَا عِدَّتَهُمْ إِلَّا فِتْنَةًۭ لِّلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لِيَسْتَيْقِنَ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَٰبَ وَيَزْدَادَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ إِيمَٰنًۭا ۙ وَلَا يَرْتَابَ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَٰبَ وَٱلْمُؤْمِنُونَ ۙ وَلِيَقُولَ ٱلَّذِينَ فِى قُلُوبِهِم مَّرَضٌۭ وَٱلْكَٰفِرُونَ مَاذَآ أَرَادَ ٱللَّهُ بِهَٰذَا مَثَلًۭا ۚ كَذَٰلِكَ يُضِلُّ ٱللَّهُ مَن يَشَآءُ وَيَهْدِى مَن يَشَآءُ ۚ وَمَا يَعْلَمُ جُنُودَ رَبِّكَ إِلَّا هُوَ ۚ وَمَا هِىَ إِلَّا ذِكْرَىٰ لِلْبَشَرِ
En Wij hebben geen anderen dan Engelen aangesteld als wachters van de Hel. En Wij hebben hun aantal slechts vastgesteld als een beproeving voor degenen die niet geloven en opdat degenen aan wie de Schrift gegeven is overtuigd zullen zijn. En opdat degenen die geloven zullen toenemen in geloof, en opdat degenen aan wie de Schrift is gegeven en de gelovigen niet zullen twijfelen. En opdat degenen in wier harten een ziekte is en de ongelovigen zullen zeggen: "Wat wil Allah met dit voorbeeld zeggen?" Zo laat Allah dwalen wie Hij wil, en leidt Hij wie Hij wil. En niemand kent de troepenmacht van jouw Heer dan Hij. En dit is niets anders dan een Vermaning voor de mensheid.
كَلَّا وَٱلْقَمَرِ
Nee, bij de maan!
وَٱلَّيْلِ إِذْ أَدْبَرَ
En de nacht wanneer hij terugkeert.
وَٱلصُّبْحِ إِذَآ أَسْفَرَ
En de dageraad wanneer hij gloort.
إِنَّهَا لَإِحْدَى ٱلْكُبَرِ
Voorwaar, zij (de Hel) is zeker een van de grootste verschrikkingen.
نَذِيرًۭا لِّلْبَشَرِ
(Zij is er) als een waarschuwing voor de mensheid.
لِمَن شَآءَ مِنكُمْ أَن يَتَقَدَّمَ أَوْ يَتَأَخَّرَ
Voor degenen onder hen die voort willen gaan (door goede daden te verrichten) of achter willen blijven (door slechte daden te verrichten).
كُلُّ نَفْسٍۭ بِمَا كَسَبَتْ رَهِينَةٌ
Iedere ziel is een borg voor wat zij heeft verricht.
إِلَّآ أَصْحَٰبَ ٱلْيَمِينِ
Behalve de mensen van de rechterzijde.
فِى جَنَّٰتٍۢ يَتَسَآءَلُونَ
In Tuinen (het Paradijs) vragen zij elkaar.
عَنِ ٱلْمُجْرِمِينَ
Over de misdadigers.
مَا سَلَكَكُمْ فِى سَقَرَ
(Zij zeggen:) "Wat heeft hen naar Saqar (de Hel) gevoerd?"
قَالُوا۟ لَمْ نَكُ مِنَ ٱلْمُصَلِّينَ
Zij zeiden: "Wij behoorden niet tot degenen die de shalât verrichten.
وَلَمْ نَكُ نُطْعِمُ ٱلْمِسْكِينَ
En wij voedden de armen niet.
وَكُنَّا نَخُوضُ مَعَ ٱلْخَآئِضِينَ
En wij plachten ijdele gesprekken te voeren met degenen die ijdel praatten.
وَكُنَّا نُكَذِّبُ بِيَوْمِ ٱلدِّينِ
En wij plachten de Dag des Oordeels te loochenen.
حَتَّىٰٓ أَتَىٰنَا ٱلْيَقِينُ
Tot het zekere (de dood) tot ons kwam."
فَمَا تَنفَعُهُمْ شَفَٰعَةُ ٱلشَّٰفِعِينَ
De voorspraak van de voorsprekers baat hen niet.
فَمَا لَهُمْ عَنِ ٱلتَّذْكِرَةِ مُعْرِضِينَ
Wat is er met hen dat zij zich van de Vermaning afwenden?
كَأَنَّهُمْ حُمُرٌۭ مُّسْتَنفِرَةٌۭ
Alsof zij opgeschrikte ezels zijn.
فَرَّتْ مِن قَسْوَرَةٍۭ
Die vluchten voor een leeuw.
بَلْ يُرِيدُ كُلُّ ٱمْرِئٍۢ مِّنْهُمْ أَن يُؤْتَىٰ صُحُفًۭا مُّنَشَّرَةًۭ
Toch wil een ieder van hen, dat hun opengespreidde bladen (van een Openbaring) worden gegeven.
كَلَّا ۖ بَل لَّا يَخَافُونَ ٱلْءَاخِرَةَ
Nee! Zij vrezen zelfs het Hiernamaals niet.
كَلَّآ إِنَّهُۥ تَذْكِرَةٌۭ
Nee, voorwaar, hij (de Koran) is een Vermaning.
فَمَن شَآءَ ذَكَرَهُۥ
Wie wil trekt er lering uit.
وَمَا يَذْكُرُونَ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُ ۚ هُوَ أَهْلُ ٱلتَّقْوَىٰ وَأَهْلُ ٱلْمَغْفِرَةِ
En zij trekken er geen lering uit, behalve als Allah het wil. Hij is het Die vrees toekomt en Hij is het Die het toekomt om te vergeven.
Surah 75: Al-Qiyamah — القيامة
لَآ أُقْسِمُ بِيَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ
Ik zweer bij de Dag der Opstanding.
وَلَآ أُقْسِمُ بِٱلنَّفْسِ ٱللَّوَّامَةِ
En Ik zweer bij de (zichzelf) verwijtende ziel.
أَيَحْسَبُ ٱلْإِنسَٰنُ أَلَّن نَّجْمَعَ عِظَامَهُۥ
Denkt de mens dat Wij Zijn botten nooit zullen bijeenbrengen?
بَلَىٰ قَٰدِرِينَ عَلَىٰٓ أَن نُّسَوِّىَ بَنَانَهُۥ
Welzeker, Wij zijn in staat om zelfs zijn vingertoppen (opnieuw) volmaakt te vormen.
بَلْ يُرِيدُ ٱلْإِنسَٰنُ لِيَفْجُرَ أَمَامَهُۥ
De mens wil zelfs in zondigheid voortleven.
يَسْـَٔلُ أَيَّانَ يَوْمُ ٱلْقِيَٰمَةِ
Hij vraagt: "Wanneer is de Dag der Opstanding?"
فَإِذَا بَرِقَ ٱلْبَصَرُ
Wanneer dan de ogen zich opensperren.
وَخَسَفَ ٱلْقَمَرُ
En de maan duister wordt.
وَجُمِعَ ٱلشَّمْسُ وَٱلْقَمَرُ
En de zon en de maan bijeengebracht worden.
يَقُولُ ٱلْإِنسَٰنُ يَوْمَئِذٍ أَيْنَ ٱلْمَفَرُّ
Die Dag zal de mens zeggen: "Waar is het toevluchtsoord?"
كَلَّا لَا وَزَرَ
Nee! Er is geen toevluchtsoord.
إِلَىٰ رَبِّكَ يَوْمَئِذٍ ٱلْمُسْتَقَرُّ
Bij jouw Heer is die Dag de eindbestemming.
يُنَبَّؤُا۟ ٱلْإِنسَٰنُ يَوْمَئِذٍۭ بِمَا قَدَّمَ وَأَخَّرَ
De mens zal die Dag worden medegedeeld wat hij heeft voortgebracht en wat hij heeft nagelaten.
بَلِ ٱلْإِنسَٰنُ عَلَىٰ نَفْسِهِۦ بَصِيرَةٌۭ
Hij zal zelfs tegen zichzelf getuigen.
وَلَوْ أَلْقَىٰ مَعَاذِيرَهُۥ
Ook al biedt hij zijn verontschuldigingen aan.
لَا تُحَرِّكْ بِهِۦ لِسَانَكَ لِتَعْجَلَ بِهِۦٓ
(Allah zegt tot de Profeet:) "Beweeg jouw tong er niet mee (de Koran), om er haast mee te maken.
إِنَّ عَلَيْنَا جَمْعَهُۥ وَقُرْءَانَهُۥ
Voorwaar, het is aan Ons hem te doen bewaren en hem voor te doen dragen.
فَإِذَا قَرَأْنَٰهُ فَٱتَّبِعْ قُرْءَانَهُۥ
Wanneer Wij hem dan hebben doen voordragen, volg dan zijn voordracht.
ثُمَّ إِنَّ عَلَيْنَا بَيَانَهُۥ
Daarna is aan Ons de uitleg ervan."
كَلَّا بَلْ تُحِبُّونَ ٱلْعَاجِلَةَ
Nee! Jullie houden van het voorbijgaande.
وَتَذَرُونَ ٱلْءَاخِرَةَ
En jullie besteden geen aandacht aan het Hiernamaals.
وُجُوهٌۭ يَوْمَئِذٍۢ نَّاضِرَةٌ
Gezichten zullen op die Dag verlicht zijn.
إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٌۭ
Naar hun Heer zullen zij zien.
وَوُجُوهٌۭ يَوْمَئِذٍۭ بَاسِرَةٌۭ
En gezichten zullen op die Dag duister zijn.
تَظُنُّ أَن يُفْعَلَ بِهَا فَاقِرَةٌۭ
Zij weten zeker dat een verpletterende ramp over hen zal worden gebracht.
كَلَّآ إِذَا بَلَغَتِ ٱلتَّرَاقِىَ
Nee, wanneer de (laatste) adem in de keel stokt.
وَقِيلَ مَنْ ۜ رَاقٍۢ
En er gezegd wordt: "Wie kan genezen?"
وَظَنَّ أَنَّهُ ٱلْفِرَاقُ
En hij beseft dat het afscheid is gekomen.
وَٱلْتَفَّتِ ٱلسَّاقُ بِٱلسَّاقِ
En de benen (in doodsangst) over elkaar liggen.
إِلَىٰ رَبِّكَ يَوْمَئِذٍ ٱلْمَسَاقُ
Naar jouw Heer worden zij Die Dag gesleept.
فَلَا صَدَّقَ وَلَا صَلَّىٰ
Hij geloofde (de Koran en de Boodschapper) niet, en hij verrichtte de shalât niet.
وَلَٰكِن كَذَّبَ وَتَوَلَّىٰ
Maar hij loochende en hij wendde zich af.
ثُمَّ ذَهَبَ إِلَىٰٓ أَهْلِهِۦ يَتَمَطَّىٰٓ
Daarna ging hij naar zijn verwanten, hoogmoedig.
أَوْلَىٰ لَكَ فَأَوْلَىٰ
Wee jou, wee!
ثُمَّ أَوْلَىٰ لَكَ فَأَوْلَىٰٓ
Nogmaals, wee jou, wee!
أَيَحْسَبُ ٱلْإِنسَٰنُ أَن يُتْرَكَ سُدًى
Denkt de mens dat hij ongemoeid zal worden gelaten?
أَلَمْ يَكُ نُطْفَةًۭ مِّن مَّنِىٍّۢ يُمْنَىٰ
Was hij niet eerst een druppel van uitgestort sperma?
ثُمَّ كَانَ عَلَقَةًۭ فَخَلَقَ فَسَوَّىٰ
En vervolgens een bloedklonter waarna Hij (hem) schiep en nauwkeurig vormde?
فَجَعَلَ مِنْهُ ٱلزَّوْجَيْنِ ٱلذَّكَرَ وَٱلْأُنثَىٰٓ
Zo maakte Hij daarvan de twee geslachten, de man en de vrouw.
أَلَيْسَ ذَٰلِكَ بِقَٰدِرٍ عَلَىٰٓ أَن يُحْۦِىَ ٱلْمَوْتَىٰ
Is Degene met zo'n macht niet in staat de doden tot leven te brengen?
Surah 76: Al-Insan — الإنسان
هَلْ أَتَىٰ عَلَى ٱلْإِنسَٰنِ حِينٌۭ مِّنَ ٱلدَّهْرِ لَمْ يَكُن شَيْـًۭٔا مَّذْكُورًا
Voorzeker, er is voor de mens een periode geweest waarin hij in niets gedenkwaardig was.
إِنَّا خَلَقْنَا ٱلْإِنسَٰنَ مِن نُّطْفَةٍ أَمْشَاجٍۢ نَّبْتَلِيهِ فَجَعَلْنَٰهُ سَمِيعًۢا بَصِيرًا
Voorwaar, Wij hebben de mens geschapen uit een gemengde druppel om hem te beproeven. Daarop gaven Wij hem het gehoor en gezichtsvermogen.
إِنَّا هَدَيْنَٰهُ ٱلسَّبِيلَ إِمَّا شَاكِرًۭا وَإِمَّا كَفُورًا
Voorwaar, Wij wezen hem de Weg: wordt hij dankbaar of wordt hij ondankbaar?
إِنَّآ أَعْتَدْنَا لِلْكَٰفِرِينَ سَلَٰسِلَا۟ وَأَغْلَٰلًۭا وَسَعِيرًا
Voorwaar, voor de ongelovigen hebben Wij kettingen, en ketens en Sa'îr (de Hel) bereid.
إِنَّ ٱلْأَبْرَارَ يَشْرَبُونَ مِن كَأْسٍۢ كَانَ مِزَاجُهَا كَافُورًا
Voorwaar, de deugdzamen zullen drinken uit een beker waarvan de mengdrank van Kâfôer (kamfer) is.
عَيْنًۭا يَشْرَبُ بِهَا عِبَادُ ٱللَّهِ يُفَجِّرُونَهَا تَفْجِيرًۭا
Een bron waarvan de dienaren van Allah drinken. Zij laten deze overvloedig stromen.
يُوفُونَ بِٱلنَّذْرِ وَيَخَافُونَ يَوْمًۭا كَانَ شَرُّهُۥ مُسْتَطِيرًۭا
Zij vervulden hun geloften. En zij vreesden een Dag waarvan het kwaad verschrikkelijk is.
وَيُطْعِمُونَ ٱلطَّعَامَ عَلَىٰ حُبِّهِۦ مِسْكِينًۭا وَيَتِيمًۭا وَأَسِيرًا
En zij gaven het voedsel waarvan zij hielden aan een arme, en een wees en een gevangene.
إِنَّمَا نُطْعِمُكُمْ لِوَجْهِ ٱللَّهِ لَا نُرِيدُ مِنكُمْ جَزَآءًۭ وَلَا شُكُورًا
(Zij zeiden:) "Wij voeden jullie slechts omwille van het welbehagen van Allah, wij verlangen van jullie geen beloning en geen dank.
إِنَّا نَخَافُ مِن رَّبِّنَا يَوْمًا عَبُوسًۭا قَمْطَرِيرًۭا
Voorwaar, wij vrezen van onze Heer een angstaanjagende, huiveringwekkende Dag."
فَوَقَىٰهُمُ ٱللَّهُ شَرَّ ذَٰلِكَ ٱلْيَوْمِ وَلَقَّىٰهُمْ نَضْرَةًۭ وَسُرُورًۭا
Allah zal hen op die Dag beschermen voor het kwaad en hen glans en blijdschap schenken.
وَجَزَىٰهُم بِمَا صَبَرُوا۟ جَنَّةًۭ وَحَرِيرًۭا
En Hij zal hen vanwege hun geduldige volharding belonen met het Paradijs en met zijde.
مُّتَّكِـِٔينَ فِيهَا عَلَى ٱلْأَرَآئِكِ ۖ لَا يَرَوْنَ فِيهَا شَمْسًۭا وَلَا زَمْهَرِيرًۭا
Leunend zitten zij daarin op rustbanken. Zij vinden daarin geen zon en geen kou.
وَدَانِيَةً عَلَيْهِمْ ظِلَٰلُهَا وَذُلِّلَتْ قُطُوفُهَا تَذْلِيلًۭا
En haar schaduwen zijn voor hen dichtbij en haar vruchten zijn vlakbij, makkelijk te plukken.
وَيُطَافُ عَلَيْهِم بِـَٔانِيَةٍۢ مِّن فِضَّةٍۢ وَأَكْوَابٍۢ كَانَتْ قَوَارِيرَا۠
En onder hen wordt rondgegaan met kruiken van zilver en glazen als van kristal.
قَوَارِيرَا۟ مِن فِضَّةٍۢ قَدَّرُوهَا تَقْدِيرًۭا
Kristalhelder, van zilver gemaakt, die naar wens schenken.
وَيُسْقَوْنَ فِيهَا كَأْسًۭا كَانَ مِزَاجُهَا زَنجَبِيلًا
En daarin wordt er voor hen geschonken uit een beker waarvan de mengdrank gember is.
عَيْنًۭا فِيهَا تُسَمَّىٰ سَلْسَبِيلًۭا
Er bevindt zich daarin een bron die Salsabîl genoemd wordt.
۞ وَيَطُوفُ عَلَيْهِمْ وِلْدَٰنٌۭ مُّخَلَّدُونَ إِذَا رَأَيْتَهُمْ حَسِبْتَهُمْ لُؤْلُؤًۭا مَّنثُورًۭا
En onder hen wordt rondgegaan door eeuwig jeugdigen. Als jij hen ziet, dan denk jij dat zij verstrooide parels zijn.
وَإِذَا رَأَيْتَ ثَمَّ رَأَيْتَ نَعِيمًۭا وَمُلْكًۭا كَبِيرًا
En als jij rondkijkt dan zie jij een genieting en een geweldig koninkrijk.
عَٰلِيَهُمْ ثِيَابُ سُندُسٍ خُضْرٌۭ وَإِسْتَبْرَقٌۭ ۖ وَحُلُّوٓا۟ أَسَاوِرَ مِن فِضَّةٍۢ وَسَقَىٰهُمْ رَبُّهُمْ شَرَابًۭا طَهُورًا
Zij dragen kleren van fijne groene zijde en brokaat en zij zullen gesierd worden met zilveren armbanden. En hun Heer zal hen een pure drank schenken.
إِنَّ هَٰذَا كَانَ لَكُمْ جَزَآءًۭ وَكَانَ سَعْيُكُم مَّشْكُورًا
(Er wordt gezegd:) "Voorwaar, dat is een beloning voor jullie en jullie daden zijn aanvaard."
إِنَّا نَحْنُ نَزَّلْنَا عَلَيْكَ ٱلْقُرْءَانَ تَنزِيلًۭا
Voorwaar, Wij zijn het Die de Koran in fasen tot jou neergezonden hebben.
فَٱصْبِرْ لِحُكْمِ رَبِّكَ وَلَا تُطِعْ مِنْهُمْ ءَاثِمًا أَوْ كَفُورًۭا
Wees dan geduldig met de wetten van jouw Heer en volg niet de zondaar of de ongelovige onder hen.
وَٱذْكُرِ ٱسْمَ رَبِّكَ بُكْرَةًۭ وَأَصِيلًۭا
En gedenk (in jouw shalât) de Naam van jouw Heer, in de ochtend en de avond.
وَمِنَ ٱلَّيْلِ فَٱسْجُدْ لَهُۥ وَسَبِّحْهُ لَيْلًۭا طَوِيلًا
En in een gedeelte van de nacht, en kniel je neer voor Hem en prijs Zijn Glorie tijdens een lang deel van de nacht.
إِنَّ هَٰٓؤُلَآءِ يُحِبُّونَ ٱلْعَاجِلَةَ وَيَذَرُونَ وَرَآءَهُمْ يَوْمًۭا ثَقِيلًۭا
Voorwaar, zij (de ongelovigen) houden van het voorbijgaande en leggen achter hun rug een zware Dag.
نَّحْنُ خَلَقْنَٰهُمْ وَشَدَدْنَآ أَسْرَهُمْ ۖ وَإِذَا شِئْنَا بَدَّلْنَآ أَمْثَٰلَهُمْ تَبْدِيلًا
Wij hebben hen geschapen en Wij hebben hun gestel stevig gemaakt. En als Wij het gewild hadden, dan zouden Wij hen vervangen door gelijksoortigen.
إِنَّ هَٰذِهِۦ تَذْكِرَةٌۭ ۖ فَمَن شَآءَ ٱتَّخَذَ إِلَىٰ رَبِّهِۦ سَبِيلًۭا
Voorwaar, dit is een Vermaning. Wie het dan wil, laat hij een Weg naar zijn Heer nemen.
وَمَا تَشَآءُونَ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُ ۚ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَلِيمًا حَكِيمًۭا
En jullie zullen het niet willen, behalve als Allah het wil: voorwaar, Allah is Alwetend, Alwijs.
يُدْخِلُ مَن يَشَآءُ فِى رَحْمَتِهِۦ ۚ وَٱلظَّٰلِمِينَ أَعَدَّ لَهُمْ عَذَابًا أَلِيمًۢا
Hij doet in Zijn Barmhartigheid binnengaan wie Hij wil. En Hij heeft een pijnlijke bestraffing bereid voor de onrechtvaardigen.
Surah 77: Al-Mursalat — المرسلات
وَٱلْمُرْسَلَٰتِ عُرْفًۭا
Bij de met goedheid uitgezondenen.
فَٱلْعَٰصِفَٰتِ عَصْفًۭا
Bij de met spoed voortspoedenden.
وَٱلنَّٰشِرَٰتِ نَشْرًۭا
En bij de verspreid verspreidenden.
فَٱلْفَٰرِقَٰتِ فَرْقًۭا
Bij de scheidend scheidenden.
فَٱلْمُلْقِيَٰتِ ذِكْرًا
Bij de doorgevenden van de Vermaning.
عُذْرًا أَوْ نُذْرًا
Als een afwijzing van verontschuldigingen of als een waarschuwing.
إِنَّمَا تُوعَدُونَ لَوَٰقِعٌۭ
Voorwaar, wat jullie is aangezegd, zal zeker gebeuren.
فَإِذَا ٱلنُّجُومُ طُمِسَتْ
Wanneer dan de sterren gedoofd worden.
وَإِذَا ٱلسَّمَآءُ فُرِجَتْ
En wanneer de hemel gespleten wordt.
وَإِذَا ٱلْجِبَالُ نُسِفَتْ
En wanneer de bergen verpulverd worden.
وَإِذَا ٱلرُّسُلُ أُقِّتَتْ
En wanneer voor de Boodschappers de tijd vastgesteld is.
لِأَىِّ يَوْمٍ أُجِّلَتْ
(Er wordt gezegd:) "Tot welke dag is er uitstel gegeven?"
لِيَوْمِ ٱلْفَصْلِ
Tot de Dag van de Beoordeling.
وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا يَوْمُ ٱلْفَصْلِ
En wat doet jullie weten wat Dag van de Beoordeling is?
وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ
Wee die Dag de loochenaars!
أَلَمْ نُهْلِكِ ٱلْأَوَّلِينَ
Hebben Wij de vroegeren niet vernietigd?
ثُمَّ نُتْبِعُهُمُ ٱلْءَاخِرِينَ
Waarna Wij hen deden opvolgen door de lateren?
كَذَٰلِكَ نَفْعَلُ بِٱلْمُجْرِمِينَ
Zo behandelen Wij de misdadigers.
وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ
Wee die Dag de loochenaars!
أَلَمْ نَخْلُقكُّم مِّن مَّآءٍۢ مَّهِينٍۢ
Hebben Wij jullie niet uit een onaanzienlijk water geschapen?
فَجَعَلْنَٰهُ فِى قَرَارٍۢ مَّكِينٍ
Toen plaatsten Wij het in een beschermende rustplaats.
إِلَىٰ قَدَرٍۢ مَّعْلُومٍۢ
Tot een bekend tijdstip.
فَقَدَرْنَا فَنِعْمَ ٱلْقَٰدِرُونَ
Wij beschikten (erover) en Wij zijn de beste Beschikkers.
وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ
Wee die Dag de loochenaars!
أَلَمْ نَجْعَلِ ٱلْأَرْضَ كِفَاتًا
Hebben Wij de aarde niet tot een plaats ven verzameling gemaakt?
أَحْيَآءًۭ وَأَمْوَٰتًۭا
Zowel voor levenden en doden?
وَجَعَلْنَا فِيهَا رَوَٰسِىَ شَٰمِخَٰتٍۢ وَأَسْقَيْنَٰكُم مَّآءًۭ فُرَاتًۭا
En Wij plaatsten daarop stevige bergen en Wij schonken jullie helder water.
وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ
Wee die Dag de loochenaars!
ٱنطَلِقُوٓا۟ إِلَىٰ مَا كُنتُم بِهِۦ تُكَذِّبُونَ
Gaat naar dat wat jullie plachten to loochenen!
ٱنطَلِقُوٓا۟ إِلَىٰ ظِلٍّۢ ذِى ثَلَٰثِ شُعَبٍۢ
Gaat naar een schaduw (van rook) die drie kolommen heeft.
لَّا ظَلِيلٍۢ وَلَا يُغْنِى مِنَ ٱللَّهَبِ
Die geen schaduw geeft en die niet baat tegen het vlammende Vuur.
إِنَّهَا تَرْمِى بِشَرَرٍۢ كَٱلْقَصْرِ
Zij (de Hel) werpt vonken als kastelen.
كَأَنَّهُۥ جِمَٰلَتٌۭ صُفْرٌۭ
Alsof zij gele kamelen waren.
وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ
Wee die Dag de loochenaars!
هَٰذَا يَوْمُ لَا يَنطِقُونَ
Dit is een Dag waarop zij niet spreken.
وَلَا يُؤْذَنُ لَهُمْ فَيَعْتَذِرُونَ
En er wordt hun niet toegestaan zich te verontschuldigen.
وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ
Wee die Dag de loochenaars!
هَٰذَا يَوْمُ ٱلْفَصْلِ ۖ جَمَعْنَٰكُمْ وَٱلْأَوَّلِينَ
Dit is de Dag van de Beoordeling, Wij verzamelen jullie en de vroegeren.
فَإِن كَانَ لَكُمْ كَيْدٌۭ فَكِيدُونِ
Als jullie dan een list hebben, voert die dan uit.
وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ
Wee die Dag de loochenaars!
إِنَّ ٱلْمُتَّقِينَ فِى ظِلَٰلٍۢ وَعُيُونٍۢ
Voorwaar, de Moettaqôen verkeren in schaduwen en bij bronnen.
وَفَوَٰكِهَ مِمَّا يَشْتَهُونَ
En er zijn vruchten die zij wensen.
كُلُوا۟ وَٱشْرَبُوا۟ هَنِيٓـًٔۢا بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ
(Er wordt gezegd:) "Eet en drinkt smakelijk voor wat jullie plachten te verrichten."
إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ
Voorwaar, zo belonen Wij de weldoeners.
وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ
Wee die Dag de loochenaars!
كُلُوا۟ وَتَمَتَّعُوا۟ قَلِيلًا إِنَّكُم مُّجْرِمُونَ
Eet en geniet even: voorwaar, jullie zijn misdadigers.
وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ
Wee die Dag de loochenaars!
وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ ٱرْكَعُوا۟ لَا يَرْكَعُونَ
En wanneer er tot hen gezegd wordt: "Buigt jullie (in de shalât)," dan buigen zij niet.
وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ
Wee die Dag de loochenaars!
فَبِأَىِّ حَدِيثٍۭ بَعْدَهُۥ يُؤْمِنُونَ
In welk Woord na hem (de Koran) zullen zij dan geloven?