Surah 51: Az-Zariyat — الذاريات
۞ قَالَ فَمَا خَطْبُكُمْ أَيُّهَا ٱلْمُرْسَلُونَ
Hij (Ibrâhîm) vroeg: "Wat is jullie boodschap, O gezanten?"
قَالُوٓا۟ إِنَّآ أُرْسِلْنَآ إِلَىٰ قَوْمٍۢ مُّجْرِمِينَ
Zij zeiden: "Voorwaar, wij zijn gezonden naar een volk van misdadigers.
لِنُرْسِلَ عَلَيْهِمْ حِجَارَةًۭ مِّن طِينٍۢ
Opdat wij stenen van klei op hen neerzenden.
مُّسَوَّمَةً عِندَ رَبِّكَ لِلْمُسْرِفِينَ
Die zijn gekenmerkt bij jouw Heer, voor de overtreders."
فَأَخْرَجْنَا مَن كَانَ فِيهَا مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ
Toen deden Wij degenen die daar tot de gelovigen behoorden vertrekken.
فَمَا وَجَدْنَا فِيهَا غَيْرَ بَيْتٍۢ مِّنَ ٱلْمُسْلِمِينَ
Maar Wij troffen daar slechts één huis van degenen die zich (aan Allah) overgegeven hadden aan. (het huis van Lôeth)
وَتَرَكْنَا فِيهَآ ءَايَةًۭ لِّلَّذِينَ يَخَافُونَ ٱلْعَذَابَ ٱلْأَلِيمَ
En Wij lieten daar een Teken achter voor degenen die de pijnlijke bestraffing vreesden.
وَفِى مُوسَىٰٓ إِذْ أَرْسَلْنَٰهُ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ بِسُلْطَٰنٍۢ مُّبِينٍۢ
En ook in (de geschiedenis van) Môesa toen Wij hem naar Fir'aun zonden met een duidelijk bewijs.
فَتَوَلَّىٰ بِرُكْنِهِۦ وَقَالَ سَٰحِرٌ أَوْ مَجْنُونٌۭ
Hij (Fir'aun) wendde zich af met zijn gevolg, en hij zei: "(Hij is) een tovenaar, of een bezetene!"
فَأَخَذْنَٰهُ وَجُنُودَهُۥ فَنَبَذْنَٰهُمْ فِى ٱلْيَمِّ وَهُوَ مُلِيمٌۭ
Daarop grepen Wij hem en zijn legers en wierpen hen in de zee. En hem (Fir'aun) trof de blaam.
وَفِى عَادٍ إِذْ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمُ ٱلرِّيحَ ٱلْعَقِيمَ
En in de 'Âd, toen Wij over hen een verwoestende wind zonden.
مَا تَذَرُ مِن شَىْءٍ أَتَتْ عَلَيْهِ إِلَّا جَعَلَتْهُ كَٱلرَّمِيمِ
Die niets heel liet van wat hij tegenkwam, maar (alles) tot ruïnes maakte.
وَفِى ثَمُودَ إِذْ قِيلَ لَهُمْ تَمَتَّعُوا۟ حَتَّىٰ حِينٍۢ
En in de Tsamôed, toen tot hen gezegd werd: "Geniet maar, tot een bepaalde tijd."
فَعَتَوْا۟ عَنْ أَمْرِ رَبِّهِمْ فَأَخَذَتْهُمُ ٱلصَّٰعِقَةُ وَهُمْ يَنظُرُونَ
Toen waren zij hoogmoedig tegenover het gebod van hun Heer, waarop de bliksemslag hen greep, terwijl zij toezagen.
فَمَا ٱسْتَطَٰعُوا۟ مِن قِيَامٍۢ وَمَا كَانُوا۟ مُنتَصِرِينَ
Toen konden zij niet meer opstaan en zij konden zichzelf niet helpen.
وَقَوْمَ نُوحٍۢ مِّن قَبْلُ ۖ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَوْمًۭا فَٰسِقِينَ
En het volk van Nôeh van daarvóór: voorwaar, zij waren een zwaar zondig volk.
وَٱلسَّمَآءَ بَنَيْنَٰهَا بِأَيْي۟دٍۢ وَإِنَّا لَمُوسِعُونَ
En Wij hebben de hemel met een grote macht gebouwd. En voorwaar, Wij zijn zeker Machtigen.
وَٱلْأَرْضَ فَرَشْنَٰهَا فَنِعْمَ ٱلْمَٰهِدُونَ
En Wij hebben de aarde uitgespreid, en de beste Uitspreiders zijn Wij.
وَمِن كُلِّ شَىْءٍ خَلَقْنَا زَوْجَيْنِ لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ
En van alle dingen hebben Wij paren geschapen. Hopelijk zullen jullie je laten vermanen.
فَفِرُّوٓا۟ إِلَى ٱللَّهِ ۖ إِنِّى لَكُم مِّنْهُ نَذِيرٌۭ مُّبِينٌۭ
(Zeg, O Moehammad) "Vlucht daarom naar Allah: voorwaar, ik ben voor jullie van Hem (voor Zijn bestraffing) een duidelijke waarschuwer.
وَلَا تَجْعَلُوا۟ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ ۖ إِنِّى لَكُم مِّنْهُ نَذِيرٌۭ مُّبِينٌۭ
En neemt naast Allah geen andere god: voorwaar, ik ben voor jullie van Hem (voor Zijn bestraffing) een duidelijke waarschuwer."
كَذَٰلِكَ مَآ أَتَى ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِم مِّن رَّسُولٍ إِلَّا قَالُوا۟ سَاحِرٌ أَوْ مَجْنُونٌ
Zo kwam er tot degenen vóór hen geen Boodschapper, of zij zeiden: "(Hij is) een tovenaar, of een bezetene."
أَتَوَاصَوْا۟ بِهِۦ ۚ بَلْ هُمْ قَوْمٌۭ طَاغُونَ
Dragen zij dit aan elkaar over (van geslacht op geslacht)? Zij zijn zelfs een overtredend volk.
فَتَوَلَّ عَنْهُمْ فَمَآ أَنتَ بِمَلُومٍۢ
Wend je daarom van hen af, dan wordt jou niets verweten.
وَذَكِّرْ فَإِنَّ ٱلذِّكْرَىٰ تَنفَعُ ٱلْمُؤْمِنِينَ
En vermaan: want voorwaar, de vermaning baat de gelovigen.
وَمَا خَلَقْتُ ٱلْجِنَّ وَٱلْإِنسَ إِلَّا لِيَعْبُدُونِ
En Ik heb de Djinn's en de mens slechts geschapen om Mij te dienen.
مَآ أُرِيدُ مِنْهُم مِّن رِّزْقٍۢ وَمَآ أُرِيدُ أَن يُطْعِمُونِ
Ik wens geen voorzieningen van hen, en ik wens niet dat zij Mij voeden.
إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلرَّزَّاقُ ذُو ٱلْقُوَّةِ ٱلْمَتِينُ
Voorwaar, Allah is de Voorziener, de Bezitter van sterke kracht.
فَإِنَّ لِلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ ذَنُوبًۭا مِّثْلَ ذَنُوبِ أَصْحَٰبِهِمْ فَلَا يَسْتَعْجِلُونِ
Voorwaar, de zonden van degenen die onrecht plegen zijn gelijk aan de zonden van hun soortgenoten (in vroegere generaties). Laten zij daarom Mij niet vragen (de bestraffing) te bespoedigen.
فَوَيْلٌۭ لِّلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِن يَوْمِهِمُ ٱلَّذِى يُوعَدُونَ
Wee dan degenen die ongelovig zijn op hun Dag die aangezegd is.
Surah 52: At-Tur — الطور
وَٱلطُّورِ
Bij de berg (Sinaï).
وَكِتَٰبٍۢ مَّسْطُورٍۢ
Bij een geschreven Boek.
فِى رَقٍّۢ مَّنشُورٍۢ
In een opengerold perkament.
وَٱلْبَيْتِ ٱلْمَعْمُورِ
Bij het veel bezochte Huis (de Ka'bah).
وَٱلسَّقْفِ ٱلْمَرْفُوعِ
En het opgeheven gewelf (de hemel).
وَٱلْبَحْرِ ٱلْمَسْجُورِ
En de kolkende zee.
إِنَّ عَذَابَ رَبِّكَ لَوَٰقِعٌۭ
Voorwaar, de bestraffing van jouw Heer zal zeker plaatsvinden.
مَّا لَهُۥ مِن دَافِعٍۢ
Niemand kan hem tegenhouden.
يَوْمَ تَمُورُ ٱلسَّمَآءُ مَوْرًۭا
Op de Dag waarop de hemel heftig beeft.
وَتَسِيرُ ٱلْجِبَالُ سَيْرًۭا
En de bergen zich verplaatsen.
فَوَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ
Wee op die Dag de loochenaars.
ٱلَّذِينَ هُمْ فِى خَوْضٍۢ يَلْعَبُونَ
Degenen die zich vermaken met ijdelheden.
يَوْمَ يُدَعُّونَ إِلَىٰ نَارِ جَهَنَّمَ دَعًّا
Op die Dag zullen zij met geweld naar de Hel worden geduwd.
هَٰذِهِ ٱلنَّارُ ٱلَّتِى كُنتُم بِهَا تُكَذِّبُونَ
(En er zal gezegd worden:) "Dit is de Hel die jullie plachten te loochenen.
أَفَسِحْرٌ هَٰذَآ أَمْ أَنتُمْ لَا تُبْصِرُونَ
Is dit dan toverij? Of kunnen jullie niet zien?
ٱصْلَوْهَا فَٱصْبِرُوٓا۟ أَوْ لَا تَصْبِرُوا۟ سَوَآءٌ عَلَيْكُمْ ۖ إِنَّمَا تُجْزَوْنَ مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ
Gaat haar binnen en weest geduldig of weest ongeduldig; het zal voor jullie niets uitmaken. Voorwaar, jullie worden slechts vergolden naar wat jullie plachten te verrichtten."
إِنَّ ٱلْمُتَّقِينَ فِى جَنَّٰتٍۢ وَنَعِيمٍۢ
Voorwaar, de Moettaqôen bevinden zich in Tuinen (het Paradijs) en in genietingen.
فَٰكِهِينَ بِمَآ ءَاتَىٰهُمْ رَبُّهُمْ وَوَقَىٰهُمْ رَبُّهُمْ عَذَابَ ٱلْجَحِيمِ
Zich verheugend over wat hun Heer hun heeft gegeven. En hun Heer heeft hen behoed voor de straf van de Hel.
كُلُوا۟ وَٱشْرَبُوا۟ هَنِيٓـًٔۢا بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ
(Er wordt gezegd:) "Eet en drinkt smakelijk wegens wat jullie plachten te verrichten."
مُتَّكِـِٔينَ عَلَىٰ سُرُرٍۢ مَّصْفُوفَةٍۢ ۖ وَزَوَّجْنَٰهُم بِحُورٍ عِينٍۢ
Leunend op rustbanken, tegenover elkaar. En Wij zullen hen huwen met schone maagden.
وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَٱتَّبَعَتْهُمْ ذُرِّيَّتُهُم بِإِيمَٰنٍ أَلْحَقْنَا بِهِمْ ذُرِّيَّتَهُمْ وَمَآ أَلَتْنَٰهُم مِّنْ عَمَلِهِم مِّن شَىْءٍۢ ۚ كُلُّ ٱمْرِئٍۭ بِمَا كَسَبَ رَهِينٌۭ
En degenen die geloven en die in het geloof gevolgd worden door hun nakomelingen: Wij voegen hun nakomelingen bij hen en Wij verminderen (de beloning voor) hun daden niet. Ieder mens staat borg voor wat hij verrichtte.
وَأَمْدَدْنَٰهُم بِفَٰكِهَةٍۢ وَلَحْمٍۢ مِّمَّا يَشْتَهُونَ
En Wij geven hun vruchten en vlees, van welke soort zij wensen.
يَتَنَٰزَعُونَ فِيهَا كَأْسًۭا لَّا لَغْوٌۭ فِيهَا وَلَا تَأْثِيمٌۭ
Zij reiken daar elkaar een beker aan waarbij geen onzin en geen zondigheid is.
۞ وَيَطُوفُ عَلَيْهِمْ غِلْمَانٌۭ لَّهُمْ كَأَنَّهُمْ لُؤْلُؤٌۭ مَّكْنُونٌۭ
En onder hen gaan jongelingen rond die lijken op welbewaarde parels.
وَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍۢ يَتَسَآءَلُونَ
Zij zullen zich tot elkaar wenden en elkaar vragen stellen.
قَالُوٓا۟ إِنَّا كُنَّا قَبْلُ فِىٓ أَهْلِنَا مُشْفِقِينَ
Zij zeggen: "Voorwaar, wij waren vroeger temidden van onze verwanten bevreesd (voor Allah).
فَمَنَّ ٱللَّهُ عَلَيْنَا وَوَقَىٰنَا عَذَابَ ٱلسَّمُومِ
Allah begenadigde ons toen en Hij behoedde ons voor de bestraffing van de verschroeiende wind.
إِنَّا كُنَّا مِن قَبْلُ نَدْعُوهُ ۖ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلْبَرُّ ٱلرَّحِيمُ
Voorwaar, Wij plachten Hem vroeger aan te roepen: voorwaar, Hij is de Weldoener, de Meest Barmhartige."
فَذَكِّرْ فَمَآ أَنتَ بِنِعْمَتِ رَبِّكَ بِكَاهِنٍۢ وَلَا مَجْنُونٍ
Vermaan daarom, jij bent door de Genade van jouw Heer geen waarzegger en geen bezetene.
أَمْ يَقُولُونَ شَاعِرٌۭ نَّتَرَبَّصُ بِهِۦ رَيْبَ ٱلْمَنُونِ
Of zeggen zij: "Een dichter, wij wachten af of het noodlot hem met ongeluk zal treffen."
قُلْ تَرَبَّصُوا۟ فَإِنِّى مَعَكُم مِّنَ ٱلْمُتَرَبِّصِينَ
Zeg (O Moehammad): "Wacht maar af: voorwaar, Ik behoor met jullie tot de afwachtenden."
أَمْ تَأْمُرُهُمْ أَحْلَٰمُهُم بِهَٰذَآ ۚ أَمْ هُمْ قَوْمٌۭ طَاغُونَ
Of beveelt hun verstand hun dit, of zijn zij een overtredend volk?
أَمْ يَقُولُونَ تَقَوَّلَهُۥ ۚ بَل لَّا يُؤْمِنُونَ
Of zeggen zij: "Hij heeft hem (de Koran) verzonnen"? Nee, zij geloven niet.
فَلْيَأْتُوا۟ بِحَدِيثٍۢ مِّثْلِهِۦٓ إِن كَانُوا۟ صَٰدِقِينَ
Laten zij dan een bericht brengen dat daaraan gelijk is, als zij waarachtigen zijn.
أَمْ خُلِقُوا۟ مِنْ غَيْرِ شَىْءٍ أَمْ هُمُ ٱلْخَٰلِقُونَ
Of zijn zij uit niets geschapen, of zijn zij (zelf) de scheppers?
أَمْ خَلَقُوا۟ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ ۚ بَل لَّا يُوقِنُونَ
Of hebben zij de hemelen en de aarde geschapen? Zelfs zij zijn er niet van overtuigd.
أَمْ عِندَهُمْ خَزَآئِنُ رَبِّكَ أَمْ هُمُ ٱلْمُصَۣيْطِرُونَ
Of bevinden zich bij hen de schaften van jouw Heer, of hebben zij de heerschappij?
أَمْ لَهُمْ سُلَّمٌۭ يَسْتَمِعُونَ فِيهِ ۖ فَلْيَأْتِ مُسْتَمِعُهُم بِسُلْطَٰنٍۢ مُّبِينٍ
Of beschikken zij over een ladder (die tot in de hemel reikt) waarop zij kunnen afluisteren? Laat dan de afluisteraar onder hen met een duidelijk bewijs komen.
أَمْ لَهُ ٱلْبَنَٰتُ وَلَكُمُ ٱلْبَنُونَ
Of zijn voor Hem de dochters en voor jullie de zonen?
أَمْ تَسْـَٔلُهُمْ أَجْرًۭا فَهُم مِّن مَّغْرَمٍۢ مُّثْقَلُونَ
Of vraag jij van hen een beloning, zodat zij belast zijn met een schuld?
أَمْ عِندَهُمُ ٱلْغَيْبُ فَهُمْ يَكْتُبُونَ
Of is bij hen het onwaarneembare, zodat zij het kunnen opschrijven?
أَمْ يُرِيدُونَ كَيْدًۭا ۖ فَٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ هُمُ ٱلْمَكِيدُونَ
Of willen zij een list beramen? Degenen die niet geloven zijn degenen die in een list versrikt raken.
أَمْ لَهُمْ إِلَٰهٌ غَيْرُ ٱللَّهِ ۚ سُبْحَٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يُشْرِكُونَ
Of hebben zij een andere god dan Allah? Heilig is Allah, boven de deelgenoten die zij (Hem) toekennen.
وَإِن يَرَوْا۟ كِسْفًۭا مِّنَ ٱلسَّمَآءِ سَاقِطًۭا يَقُولُوا۟ سَحَابٌۭ مَّرْكُومٌۭ
En als zij een stuk uit de hemel (zouden) zien neerstorten, dan zeggen zij: "Stapelwolken."
فَذَرْهُمْ حَتَّىٰ يُلَٰقُوا۟ يَوْمَهُمُ ٱلَّذِى فِيهِ يُصْعَقُونَ
Laat hen maar, totdat zij hun Dag ontmoeten waarop zij door de bliksemslag getroffen zullen worden.
يَوْمَ لَا يُغْنِى عَنْهُمْ كَيْدُهُمْ شَيْـًۭٔا وَلَا هُمْ يُنصَرُونَ
Op die Dag zal hun list niets baten, en zij zullen niet worden geholpen.
وَإِنَّ لِلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ عَذَابًۭا دُونَ ذَٰلِكَ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَعْلَمُونَ
En voorwaar, voor degenen die onrecht pleegden is er daarnaast nog een bestraffing, maar de meesten van hen weten het niet.
وَٱصْبِرْ لِحُكْمِ رَبِّكَ فَإِنَّكَ بِأَعْيُنِنَا ۖ وَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ حِينَ تَقُومُ
Wees geduldig met de beschikking van jouw Heer. Voorwaar, jij bent in Onze Ogen. En prijs de Glorie van jouw Heer wanneer jij staat.
وَمِنَ ٱلَّيْلِ فَسَبِّحْهُ وَإِدْبَٰرَ ٱلنُّجُومِ
En in de nacht, prijst Zijn Glorie, en (ook) bij het vervagen van de sterren (in de vroege ochtend).
Surah 53: An-Najm — النجم
وَٱلنَّجْمِ إِذَا هَوَىٰ
Bij de ster wanneer zij valt.
مَا ضَلَّ صَاحِبُكُمْ وَمَا غَوَىٰ
Jullie metgezel (de Profeet) dwaalt niet en hij is niet misleid.
وَمَا يَنطِقُ عَنِ ٱلْهَوَىٰٓ
En hij spreekt niet uit begeerte.
إِنْ هُوَ إِلَّا وَحْىٌۭ يُوحَىٰ
Het is niets anders dan een Openbaring die aan hem geopenbaard is.
عَلَّمَهُۥ شَدِيدُ ٱلْقُوَىٰ
Een machtige in kracht (Djibrîl) onderwees hem.
ذُو مِرَّةٍۢ فَٱسْتَوَىٰ
Een bezitter van wijsheid, en hij (Djibrîl) verscheen (in zijn aardse vorm).
وَهُوَ بِٱلْأُفُقِ ٱلْأَعْلَىٰ
En hij bevond zich aan de hoogste horizon.
ثُمَّ دَنَا فَتَدَلَّىٰ
Daarna naderde hij en daalde neer.
فَكَانَ قَابَ قَوْسَيْنِ أَوْ أَدْنَىٰ
Zodat hij zich op een afstand van twee booglengten (van Moehammad) bevond, of dichterbij.
فَأَوْحَىٰٓ إِلَىٰ عَبْدِهِۦ مَآ أَوْحَىٰ
Toen openbaarde Hij aan Zijn dienaar wat Hij openbaarde.
مَا كَذَبَ ٱلْفُؤَادُ مَا رَأَىٰٓ
Het hart (van de Profeet) loog niet over wat het zag.
أَفَتُمَٰرُونَهُۥ عَلَىٰ مَا يَرَىٰ
Willen jullie (veelgodenaanbidders) dan redetwisten over wat hij zag?
وَلَقَدْ رَءَاهُ نَزْلَةً أُخْرَىٰ
En voorzeker, hij (Moehammad) heeft hem (Djibrîl) bij een andere neerdaling gezien.
عِندَ سِدْرَةِ ٱلْمُنتَهَىٰ
Bij Sidratilmoentaha.
عِندَهَا جَنَّةُ ٱلْمَأْوَىٰٓ
Daarbij is de Tuin van de Verblijfplaats (het Paradijs).
إِذْ يَغْشَى ٱلسِّدْرَةَ مَا يَغْشَىٰ
Toen de Sidrah omhuld werd door wat hem omhulde.
مَا زَاغَ ٱلْبَصَرُ وَمَا طَغَىٰ
Zijn blik week niet en dwaalde niet.
لَقَدْ رَأَىٰ مِنْ ءَايَٰتِ رَبِّهِ ٱلْكُبْرَىٰٓ
Voorzeker, hij heeft de grote Tekenen van zijn Heer gezien.
أَفَرَءَيْتُمُ ٱللَّٰتَ وَٱلْعُزَّىٰ
Zien jullie (veelgodenaanbidders) dan al Lâta en al 'Oezza?
وَمَنَوٰةَ ٱلثَّالِثَةَ ٱلْأُخْرَىٰٓ
En al Manât, de andere, de derde?
أَلَكُمُ ٱلذَّكَرُ وَلَهُ ٱلْأُنثَىٰ
Zijn voor jullie de mannen en voor Hem de vrouwen?
تِلْكَ إِذًۭا قِسْمَةٌۭ ضِيزَىٰٓ
Dat zou een oneerlijke verdeling zijn.
إِنْ هِىَ إِلَّآ أَسْمَآءٌۭ سَمَّيْتُمُوهَآ أَنتُمْ وَءَابَآؤُكُم مَّآ أَنزَلَ ٱللَّهُ بِهَا مِن سُلْطَٰنٍ ۚ إِن يَتَّبِعُونَ إِلَّا ٱلظَّنَّ وَمَا تَهْوَى ٱلْأَنفُسُ ۖ وَلَقَدْ جَآءَهُم مِّن رَّبِّهِمُ ٱلْهُدَىٰٓ
Het zijn alleen maar namen die jullie hebben verzonnen, jullie en jullie vaderen. Allah heeft daarover geen bewijs neergezonden. Zij volgen niets dan vermoedens en wat de zielen begeren. Voorzeker, er is tot hen van hun Heer de Leiding gekomen.
أَمْ لِلْإِنسَٰنِ مَا تَمَنَّىٰ
Krijgt de mens (alles) wat hij verlangt?
فَلِلَّهِ ٱلْءَاخِرَةُ وَٱلْأُولَىٰ
Aan Allah behoort het laatste (en het Hiernamaals) en het eerste (het wereldse leven).
۞ وَكَم مِّن مَّلَكٍۢ فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ لَا تُغْنِى شَفَٰعَتُهُمْ شَيْـًٔا إِلَّا مِنۢ بَعْدِ أَن يَأْذَنَ ٱللَّهُ لِمَن يَشَآءُ وَيَرْضَىٰٓ
En hoeveel Engelen zijn er niet in de hemelen wier voorspraak niets baat, behalve nadat Allah toestemming geeft voor wie Hij wil en voor wie Hem behaagt?
إِنَّ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱلْءَاخِرَةِ لَيُسَمُّونَ ٱلْمَلَٰٓئِكَةَ تَسْمِيَةَ ٱلْأُنثَىٰ
Voorwaar, degenen die niet geloven in het Hiernamaals geven de Engelen zeker vrouwelijke namen.
وَمَا لَهُم بِهِۦ مِنْ عِلْمٍ ۖ إِن يَتَّبِعُونَ إِلَّا ٱلظَّنَّ ۖ وَإِنَّ ٱلظَّنَّ لَا يُغْنِى مِنَ ٱلْحَقِّ شَيْـًۭٔا
Terwijl zij daarover geen kennis hebben, zij volgen niets dan vermoedens. En voorwaar, vermoedens baten niets tegen de Waarheid.
فَأَعْرِضْ عَن مَّن تَوَلَّىٰ عَن ذِكْرِنَا وَلَمْ يُرِدْ إِلَّا ٱلْحَيَوٰةَ ٱلدُّنْيَا
Wend je daarom af (O Moehammad) van wie zich van Onze Vermaning heeft afgekeerd, en die niets wenst dan het wereldse leven.
ذَٰلِكَ مَبْلَغُهُم مِّنَ ٱلْعِلْمِ ۚ إِنَّ رَبَّكَ هُوَ أَعْلَمُ بِمَن ضَلَّ عَن سَبِيلِهِۦ وَهُوَ أَعْلَمُ بِمَنِ ٱهْتَدَىٰ
Dat is het doel van hun kennis. Voorwaar, jouw Heer weet beter wie van Zijn Weg is afgedwaald en wie de Leiding heeft aanvaard.
وَلِلَّهِ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِى ٱلْأَرْضِ لِيَجْزِىَ ٱلَّذِينَ أَسَٰٓـُٔوا۟ بِمَا عَمِلُوا۟ وَيَجْزِىَ ٱلَّذِينَ أَحْسَنُوا۟ بِٱلْحُسْنَى
En aan Allah behoort wat er in de hemelen en op de aarde is; opdat Hij degenen die kwaad verrichtten zal vergelden voor wat zij deden en opdat Hij degenen die goed deden zal belonen met het beste (het Paradijs).
ٱلَّذِينَ يَجْتَنِبُونَ كَبَٰٓئِرَ ٱلْإِثْمِ وَٱلْفَوَٰحِشَ إِلَّا ٱللَّمَمَ ۚ إِنَّ رَبَّكَ وَٰسِعُ ٱلْمَغْفِرَةِ ۚ هُوَ أَعْلَمُ بِكُمْ إِذْ أَنشَأَكُم مِّنَ ٱلْأَرْضِ وَإِذْ أَنتُمْ أَجِنَّةٌۭ فِى بُطُونِ أُمَّهَٰتِكُمْ ۖ فَلَا تُزَكُّوٓا۟ أَنفُسَكُمْ ۖ هُوَ أَعْلَمُ بِمَنِ ٱتَّقَىٰٓ
(Zij zijn) degenen die de grote zonden en zedeloosheden mijden, behalve (onvermijdbare) lichte fouten. Voorwaar, jouw Heer is alomvattend in de vergeving. Hij kent jullie beter: toen Hij jullie uit aarde voortbracht en toen jullie nog baby's waren in de schoten van jullie moeders. Prijst niet julliezelf; Hij weet het beter wie (Allah) vreest.
أَفَرَءَيْتَ ٱلَّذِى تَوَلَّىٰ
Heb jij degene gezien die zich afkeert?
وَأَعْطَىٰ قَلِيلًۭا وَأَكْدَىٰٓ
En die weinig gaf en (daarna) ophield?
أَعِندَهُۥ عِلْمُ ٱلْغَيْبِ فَهُوَ يَرَىٰٓ
Heeft hij kennis over het onwaarneembare, zodat hij ziet?
أَمْ لَمْ يُنَبَّأْ بِمَا فِى صُحُفِ مُوسَىٰ
Of is hij niet op de hoogte gebracht van wat in de geschriften van Môesa staat?
وَإِبْرَٰهِيمَ ٱلَّذِى وَفَّىٰٓ
En (de geschriften van) Ibrâhîm die trouw was?
أَلَّا تَزِرُ وَازِرَةٌۭ وِزْرَ أُخْرَىٰ
Dat geen enkele drager de zonden van een ander zal dragen?
وَأَن لَّيْسَ لِلْإِنسَٰنِ إِلَّا مَا سَعَىٰ
En dat de mens slechts dat krijgt waarnaar hij gestreefd hoeft?
وَأَنَّ سَعْيَهُۥ سَوْفَ يُرَىٰ
En dat hij (het resultaat van) zijn streven zal zien?
ثُمَّ يُجْزَىٰهُ ٱلْجَزَآءَ ٱلْأَوْفَىٰ
Waarop zal hij beloond (vergolden) worden met de volmaakte beloning (vergelding)?
وَأَنَّ إِلَىٰ رَبِّكَ ٱلْمُنتَهَىٰ
En dat bij jouw Heer het einde is?
وَأَنَّهُۥ هُوَ أَضْحَكَ وَأَبْكَىٰ
En dat Hij het is Die doet lachen en doet huilen?
وَأَنَّهُۥ هُوَ أَمَاتَ وَأَحْيَا
En dat Hij het is Die doet sterven en Die doet leven?
وَأَنَّهُۥ خَلَقَ ٱلزَّوْجَيْنِ ٱلذَّكَرَ وَٱلْأُنثَىٰ
En dat Hij de paren heeft geschapen; de man en de vrouw?
مِن نُّطْفَةٍ إِذَا تُمْنَىٰ
Van een druppel (sperma), wanneer die wordt uitgestort?
وَأَنَّ عَلَيْهِ ٱلنَّشْأَةَ ٱلْأُخْرَىٰ
En dat Hij het andere leven (de opwekking) voortbrengt?
وَأَنَّهُۥ هُوَ أَغْنَىٰ وَأَقْنَىٰ
En dat Hij het is Die verrijkt en Die verarmt?
وَأَنَّهُۥ هُوَ رَبُّ ٱلشِّعْرَىٰ
En dat Hij de Heer van Sirius is?
وَأَنَّهُۥٓ أَهْلَكَ عَادًا ٱلْأُولَىٰ
En dat Hij de vroegere 'Âd vernietigd heeft?
وَثَمُودَا۟ فَمَآ أَبْقَىٰ
En de Tsamôed, toen geen van hen overbleef?
وَقَوْمَ نُوحٍۢ مِّن قَبْلُ ۖ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ هُمْ أَظْلَمَ وَأَطْغَىٰ
En daarvoor het volk van Nôeh? En voorwaar, zij waren het meest onrechtvaardig en het meest buitensporig.
وَٱلْمُؤْتَفِكَةَ أَهْوَىٰ
En de omgekeerde steden richtte Hij ten gronde.
فَغَشَّىٰهَا مَا غَشَّىٰ
Toen bedekte Hij haar volledig.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكَ تَتَمَارَىٰ
Welke van de genietingen van jouw Heer betwijfelen jullie dan?
هَٰذَا نَذِيرٌۭ مِّنَ ٱلنُّذُرِ ٱلْأُولَىٰٓ
Hij (Moehammad) is een waarschuwer onder de voorafgaande waarschuwers.
أَزِفَتِ ٱلْءَازِفَةُ
Het nabije (Dag des Oordeels) is genaderd.
لَيْسَ لَهَا مِن دُونِ ٱللَّهِ كَاشِفَةٌ
Er is buiten Allah niemand die haar kan onthullen.
أَفَمِنْ هَٰذَا ٱلْحَدِيثِ تَعْجَبُونَ
Zijn jullie verbaasd over deze Koran?
وَتَضْحَكُونَ وَلَا تَبْكُونَ
En lachen jullie, en huilen jullie niet?
وَأَنتُمْ سَٰمِدُونَ
Terwijl jullie (de Koran) veronachtzamen?
فَٱسْجُدُوا۟ لِلَّهِ وَٱعْبُدُوا۟ ۩
Knielt dan neer voor Allah en aanbidt (Hem).
Surah 54: Al-Qamar — القمر
ٱقْتَرَبَتِ ٱلسَّاعَةُ وَٱنشَقَّ ٱلْقَمَرُ
Het Uur is nabij en de maan is gespleten.
وَإِن يَرَوْا۟ ءَايَةًۭ يُعْرِضُوا۟ وَيَقُولُوا۟ سِحْرٌۭ مُّسْتَمِرٌّۭ
En wanneer zij een Teken zien, dan wenden zij zich af, en zeggen: "Voortdurende toverij."
وَكَذَّبُوا۟ وَٱتَّبَعُوٓا۟ أَهْوَآءَهُمْ ۚ وَكُلُّ أَمْرٍۢ مُّسْتَقِرٌّۭ
En zij loochenen en volgen hun begeerten, terwijl alle zaken al zijn vastgesteld.
وَلَقَدْ جَآءَهُم مِّنَ ٱلْأَنۢبَآءِ مَا فِيهِ مُزْدَجَرٌ
En voorzeker, er zijn berichten tot hen gekomen waar een afschrikking in is.
حِكْمَةٌۢ بَٰلِغَةٌۭ ۖ فَمَا تُغْنِ ٱلنُّذُرُ
Doeltreffende wijsheid, maar de waarschuwingen baten niet.
فَتَوَلَّ عَنْهُمْ ۘ يَوْمَ يَدْعُ ٱلدَّاعِ إِلَىٰ شَىْءٍۢ نُّكُرٍ
Keer je daarom van hen af De Dag (zal komen) waarop een oproeper (een Engel) tot iets verschrikkelijks oproept.
خُشَّعًا أَبْصَٰرُهُمْ يَخْرُجُونَ مِنَ ٱلْأَجْدَاثِ كَأَنَّهُمْ جَرَادٌۭ مُّنتَشِرٌۭ
Met teneergeslagen blikken komen zij uit de graven tevoorschijn, alsof zij verspreidde sprinkhanen zijn.
مُّهْطِعِينَ إِلَى ٱلدَّاعِ ۖ يَقُولُ ٱلْكَٰفِرُونَ هَٰذَا يَوْمٌ عَسِرٌۭ
Zich haastend naar de oproeper. De ongelovigen zullen zeggen: "Dit is een zware dag."
۞ كَذَّبَتْ قَبْلَهُمْ قَوْمُ نُوحٍۢ فَكَذَّبُوا۟ عَبْدَنَا وَقَالُوا۟ مَجْنُونٌۭ وَٱزْدُجِرَ
Vóór hen loochende het volk van Nôeh, zij loochenden Onze dienaar, en zij zeiden: "Een bezetene!" En hij werd verbannen.
فَدَعَا رَبَّهُۥٓ أَنِّى مَغْلُوبٌۭ فَٱنتَصِرْ
Waarop hij zijn Heer aanriep (en zei:) "Ik ben verslagen, help daarom."
فَفَتَحْنَآ أَبْوَٰبَ ٱلسَّمَآءِ بِمَآءٍۢ مُّنْهَمِرٍۢ
Wij openden toen de poorten van de hemel met neergietend water.
وَفَجَّرْنَا ٱلْأَرْضَ عُيُونًۭا فَٱلْتَقَى ٱلْمَآءُ عَلَىٰٓ أَمْرٍۢ قَدْ قُدِرَ
En Wij deden bronnen uit de aarde barsten, waarna de wateren elkaar ontmoetten volgens een beschikking die waarlijk bepaald was.
وَحَمَلْنَٰهُ عَلَىٰ ذَاتِ أَلْوَٰحٍۢ وَدُسُرٍۢ
En Wij droegen hem op een vaartuig van planken en (houten) pinnen.
تَجْرِى بِأَعْيُنِنَا جَزَآءًۭ لِّمَن كَانَ كُفِرَ
Dat voer onder Ons toezicht, als beloning voor degene die werd verworpen.
وَلَقَد تَّرَكْنَٰهَآ ءَايَةًۭ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍۢ
En voorzeker, Wij lieten het achter als een teken, is er dan iemand die er lering uit trekt?
فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِى وَنُذُرِ
En hoe was Mijn bestraffing en Mijn waarschuwing?
وَلَقَدْ يَسَّرْنَا ٱلْقُرْءَانَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍۢ
En voorzeker, Wij hebben de Koran gemakkelijk gemaakt ter vermaning, is er dan iemand die er lering uit trekt?
كَذَّبَتْ عَادٌۭ فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِى وَنُذُرِ
(Het volk van) de 'Âd loochende en hoe was Mijn bestraffing en Mijn waarschuwing?
إِنَّآ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ رِيحًۭا صَرْصَرًۭا فِى يَوْمِ نَحْسٍۢ مُّسْتَمِرٍّۢ
Voorwaar, Wij zonden een verwoestende wind over hen, op een langdurige zwaarmoedige dag.
تَنزِعُ ٱلنَّاسَ كَأَنَّهُمْ أَعْجَازُ نَخْلٍۢ مُّنقَعِرٍۢ
Die de mensen wegrukte alsof zij ontwortelde palmbomen waren.
فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِى وَنُذُرِ
Hoe was Mijn bestraffing en Mijn waarschuwing?
وَلَقَدْ يَسَّرْنَا ٱلْقُرْءَانَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍۢ
En voorzeker, Wij hebben de Koran gemakkelijk gemaakt ter vermaning, is er dan iemand die er lering uit trekt?
كَذَّبَتْ ثَمُودُ بِٱلنُّذُرِ
(Het volk van) de Tsamôed loochende de waarschuwingen.
فَقَالُوٓا۟ أَبَشَرًۭا مِّنَّا وَٰحِدًۭا نَّتَّبِعُهُۥٓ إِنَّآ إِذًۭا لَّفِى ضَلَٰلٍۢ وَسُعُرٍ
En zij zeiden toen: "Zullen wij één mens van ons volgen? Voorwaar, dan zouden wij in dwaling en in een toestand van krankzinnigheid verkeren.
أَءُلْقِىَ ٱلذِّكْرُ عَلَيْهِ مِنۢ بَيْنِنَا بَلْ هُوَ كَذَّابٌ أَشِرٌۭ
Is de vermaning juist aan hèm onder ons neergezonden, terwijl hij een schaamteloze leugenaar is?"
سَيَعْلَمُونَ غَدًۭا مَّنِ ٱلْكَذَّابُ ٱلْأَشِرُ
Zij zullen weten wie de schaamteloze leugenaar is.
إِنَّا مُرْسِلُوا۟ ٱلنَّاقَةِ فِتْنَةًۭ لَّهُمْ فَٱرْتَقِبْهُمْ وَٱصْطَبِرْ
Wij zullen de vrouwtjeskameel zenden als een beproeving voor hen, let daarom op hen (O Shâlih) en wees geduldig.
وَنَبِّئْهُمْ أَنَّ ٱلْمَآءَ قِسْمَةٌۢ بَيْنَهُمْ ۖ كُلُّ شِرْبٍۢ مُّحْتَضَرٌۭ
En bericht hun dat het water onder hen (en de kameel) verdeeld moet worden. Ieder een dronk, om de beurt.
فَنَادَوْا۟ صَاحِبَهُمْ فَتَعَاطَىٰ فَعَقَرَ
Zij riepen toen hun metgezel, die overmoedig werd en (haar) slachtte.
فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِى وَنُذُرِ
Hoe was toen Mijn bestraffing en Mijn waarschuwing?
إِنَّآ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ صَيْحَةًۭ وَٰحِدَةًۭ فَكَانُوا۟ كَهَشِيمِ ٱلْمُحْتَظِرِ
Voorwaar, Wij zonden één bliksemslag, waarop zij als dorre takken voor veevoer werden.
وَلَقَدْ يَسَّرْنَا ٱلْقُرْءَانَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍۢ
En voorzeker, Wij hebben de Koran gemakkelijk gemaakt ter vermaning, is er dan iemand die er lering uit trekt?
كَذَّبَتْ قَوْمُ لُوطٍۭ بِٱلنُّذُرِ
Het volk van Lôeth loochende de waarschuwingen.
إِنَّآ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ حَاصِبًا إِلَّآ ءَالَ لُوطٍۢ ۖ نَّجَّيْنَٰهُم بِسَحَرٍۢ
Voorwaar, Wij zonden vulkanische stenen over hen, behalve over de familie van Lôeth. Wij redden hen in het laatste gedeelte van de nacht.
نِّعْمَةًۭ مِّنْ عِندِنَا ۚ كَذَٰلِكَ نَجْزِى مَن شَكَرَ
Als een gunst van Ons. Zo belonen Wij wie dankbaar is.
وَلَقَدْ أَنذَرَهُم بَطْشَتَنَا فَتَمَارَوْا۟ بِٱلنُّذُرِ
En voorzeker, Hij (Lôeth) waarschuwde hen voor Onze harde greep, maar zij twijfelden aan de waarschuwingen.
وَلَقَدْ رَٰوَدُوهُ عَن ضَيْفِهِۦ فَطَمَسْنَآ أَعْيُنَهُمْ فَذُوقُوا۟ عَذَابِى وَنُذُرِ
En voorzeker, zij probeerden zijn gasten over te halen (tot hun begeerten), waarop Wij hen blind maakten. (En Allah zei:) "Proeft dan Mijn bestraffing en Mijn waarschuwing."
وَلَقَدْ صَبَّحَهُم بُكْرَةً عَذَابٌۭ مُّسْتَقِرٌّۭ
En voorzeker, een blijvende bestraffing kwam in de ochtend van de volgende dag tot hen.
فَذُوقُوا۟ عَذَابِى وَنُذُرِ
Proeft dan Mijn bestraffing en Mijn waarschuwing.
وَلَقَدْ يَسَّرْنَا ٱلْقُرْءَانَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍۢ
En voorzeker, Wij hebben de Koran gemakkelijk gemaakt ter vermaning, is er dan iemand die er lering uit trekt?
وَلَقَدْ جَآءَ ءَالَ فِرْعَوْنَ ٱلنُّذُرُ
En voorzeker, tot Fir'aun kwamen waarschuwingen.
كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا كُلِّهَا فَأَخَذْنَٰهُمْ أَخْذَ عَزِيزٍۢ مُّقْتَدِرٍ
Zij loochenden alle Tekenen van Ons, waarop Wij hen grepen met de greep van een machtige geweldige.
أَكُفَّارُكُمْ خَيْرٌۭ مِّنْ أُو۟لَٰٓئِكُمْ أَمْ لَكُم بَرَآءَةٌۭ فِى ٱلزُّبُرِ
Zijn de ongelovigen onder jullie beter dan diegenen van hen (bovengenoemden), of hebben jullie een vrijbrief in de vroegere Schriften?
أَمْ يَقُولُونَ نَحْنُ جَمِيعٌۭ مُّنتَصِرٌۭ
Of zeggen zij: "Wij vormen één (groep) die zal overwinnen (van Moehammad)."
سَيُهْزَمُ ٱلْجَمْعُ وَيُوَلُّونَ ٱلدُّبُرَ
De groep zal verslagen worden en zij zullen vluchten.
بَلِ ٱلسَّاعَةُ مَوْعِدُهُمْ وَٱلسَّاعَةُ أَدْهَىٰ وَأَمَرُّ
Nee, het Uur is hun belofte, en het Uur is het verschrikkelijkst en het bitterst.
إِنَّ ٱلْمُجْرِمِينَ فِى ضَلَٰلٍۢ وَسُعُرٍۢ
Voorwaar, de misdadigers verkeren in dwaling en in de Hel.
يَوْمَ يُسْحَبُونَ فِى ٱلنَّارِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمْ ذُوقُوا۟ مَسَّ سَقَرَ
Op de Dag dat zij naar de Hel gesleept worden op hun gezichten, zal gezegd worden: "Proeft de aanraking van de Hel (Saqar)."
إِنَّا كُلَّ شَىْءٍ خَلَقْنَٰهُ بِقَدَرٍۢ
Voorwaar, Wij hebben alle zaken volgens een bepaalde maatgeving geschapen.
وَمَآ أَمْرُنَآ إِلَّا وَٰحِدَةٌۭ كَلَمْحٍۭ بِٱلْبَصَرِ
En Ons bevel is niets meer dan één Woord, als een oogwenk.
وَلَقَدْ أَهْلَكْنَآ أَشْيَاعَكُمْ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍۢ
En voorzeker, Wij hebben jullie soortgenoten vernietigd, is er dan iemand die er lering uit trekt?
وَكُلُّ شَىْءٍۢ فَعَلُوهُ فِى ٱلزُّبُرِ
En alle dingen die zij doen, staan in Schriften.
وَكُلُّ صَغِيرٍۢ وَكَبِيرٍۢ مُّسْتَطَرٌ
En al het kleine en het grote is vastgelegd.
إِنَّ ٱلْمُتَّقِينَ فِى جَنَّٰتٍۢ وَنَهَرٍۢ
Voorwaar, de Moettaqôen verblijven in Tuinen en rivieren (het Paradijs).
فِى مَقْعَدِ صِدْقٍ عِندَ مَلِيكٍۢ مُّقْتَدِرٍۭ
In een waarachtige verblijfplaats, bij een machtige Heerser.
Surah 55: Ar-Rahman — الرحمن
ٱلرَّحْمَٰنُ
De Erbarmer.
عَلَّمَ ٱلْقُرْءَانَ
Hij heeft de Koran onderwezen.
خَلَقَ ٱلْإِنسَٰنَ
Hij heeft de mens geschapen.
عَلَّمَهُ ٱلْبَيَانَ
Hij heeft hem de duidelijke verklaring onderwezen.
ٱلشَّمْسُ وَٱلْقَمَرُ بِحُسْبَانٍۢ
De zon en de maan volgen de berekende banen.
وَٱلنَّجْمُ وَٱلشَّجَرُ يَسْجُدَانِ
En de struiken en de bomen knielen zich neer.
وَٱلسَّمَآءَ رَفَعَهَا وَوَضَعَ ٱلْمِيزَانَ
En Hij heeft de hemel opgeheven en Hij heeft de weegschaal geplaatst.
أَلَّا تَطْغَوْا۟ فِى ٱلْمِيزَانِ
Opdat jullie het evenwicht niet verstoren.
وَأَقِيمُوا۟ ٱلْوَزْنَ بِٱلْقِسْطِ وَلَا تُخْسِرُوا۟ ٱلْمِيزَانَ
En houdt de weegschaal in evenwicht met rechtvaardigheid en neemt niets van de weegschaal af.
وَٱلْأَرْضَ وَضَعَهَا لِلْأَنَامِ
En Hij heeft de aarde bereid voor de schepselen.
فِيهَا فَٰكِهَةٌۭ وَٱلنَّخْلُ ذَاتُ ٱلْأَكْمَامِ
Daarop zijn vruchten en dadelpalmen met kolven.
وَٱلْحَبُّ ذُو ٱلْعَصْفِ وَٱلرَّيْحَانُ
En graan in aren en geurige planten.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie (Djinn's en mensen) Heer loochenen jullie dan?
خَلَقَ ٱلْإِنسَٰنَ مِن صَلْصَٰلٍۢ كَٱلْفَخَّارِ
Hij heeft de mens geschapen van droge klei, als aardewerk.
وَخَلَقَ ٱلْجَآنَّ مِن مَّارِجٍۢ مِّن نَّارٍۢ
En Hij heeft de Djinn's geschapen van een rookloze vlam van vuur.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
رَبُّ ٱلْمَشْرِقَيْنِ وَرَبُّ ٱلْمَغْرِبَيْنِ
De Heer van de twee opgangen en de twee ondergangen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
مَرَجَ ٱلْبَحْرَيْنِ يَلْتَقِيَانِ
Hij heeft de twee zeeën laten stromen en zij ontmoeten elkaar.
بَيْنَهُمَا بَرْزَخٌۭ لَّا يَبْغِيَانِ
Tussen beide is een scheiding, zij kunnen die niet passeren.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
يَخْرُجُ مِنْهُمَا ٱللُّؤْلُؤُ وَٱلْمَرْجَانُ
Uit beide komen parels en koraal voort.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
وَلَهُ ٱلْجَوَارِ ٱلْمُنشَـَٔاتُ فِى ٱلْبَحْرِ كَٱلْأَعْلَٰمِ
En aan Hem behoren de over de zee varende schepen, als bergen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
كُلُّ مَنْ عَلَيْهَا فَانٍۢ
Alles wat op aarde is zal vergaan.
وَيَبْقَىٰ وَجْهُ رَبِّكَ ذُو ٱلْجَلَٰلِ وَٱلْإِكْرَامِ
En het Aangezicht van jouw Heer is blijvend, de Bezitter van Majesteit en Eer.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
يَسْـَٔلُهُۥ مَن فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۚ كُلَّ يَوْمٍ هُوَ فِى شَأْنٍۢ
Allen die in de hemelen en op de aarde zijn vragen Hem. Iedere dag is Hij bezig.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
سَنَفْرُغُ لَكُمْ أَيُّهَ ٱلثَّقَلَانِ
Wij zullen voor jullie een afrekening maken, O jullie Djinn's en mensen!
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
يَٰمَعْشَرَ ٱلْجِنِّ وَٱلْإِنسِ إِنِ ٱسْتَطَعْتُمْ أَن تَنفُذُوا۟ مِنْ أَقْطَارِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ فَٱنفُذُوا۟ ۚ لَا تَنفُذُونَ إِلَّا بِسُلْطَٰنٍۢ
O verzameling van Djinn's en mensen, als jullie in staat zijn de hoeken van de hemelen en de aarde te verlaten, verlaat die dan, maar jullie zullen die slechts met een (grote) macht kunnen verlaten.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
يُرْسَلُ عَلَيْكُمَا شُوَاظٌۭ مِّن نَّارٍۢ وَنُحَاسٌۭ فَلَا تَنتَصِرَانِ
Er zal een vlam van vuur en gesmolten koper tot jullie gezonden worden, waartegen jullie elkaar niet kunnen helpen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
فَإِذَا ٱنشَقَّتِ ٱلسَّمَآءُ فَكَانَتْ وَرْدَةًۭ كَٱلدِّهَانِ
Wanneer dan de hemel is gespleten is zij rozenrood, als een geverfde huid.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
فَيَوْمَئِذٍۢ لَّا يُسْـَٔلُ عَن ذَنۢبِهِۦٓ إِنسٌۭ وَلَا جَآنٌّۭ
Op die Dag zullen de mensen en de Djinn's niet ondervraagd worden over hun zonden.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
يُعْرَفُ ٱلْمُجْرِمُونَ بِسِيمَٰهُمْ فَيُؤْخَذُ بِٱلنَّوَٰصِى وَٱلْأَقْدَامِ
De misdadigers zullen herkend worden aan hun kenmerken en daarna gegrepen worden bij het haar van het voorhoofd en de voeten.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
هَٰذِهِۦ جَهَنَّمُ ٱلَّتِى يُكَذِّبُ بِهَا ٱلْمُجْرِمُونَ
Dit is de Hel die de zondaren loochenden.
يَطُوفُونَ بَيْنَهَا وَبَيْنَ حَمِيمٍ ءَانٍۢ
Zij dolen daar rond in het midden van kokend heet water.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
وَلِمَنْ خَافَ مَقَامَ رَبِّهِۦ جَنَّتَانِ
En voor wie vreesde voor het staan voor zijn Heer zijn er twee Tuinen (in het Paradijs).
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
ذَوَاتَآ أَفْنَانٍۢ
Beide met een overvloed aan takken en vruchten.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
فِيهِمَا عَيْنَانِ تَجْرِيَانِ
In beide zijn twee stromende bronnen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
فِيهِمَا مِن كُلِّ فَٰكِهَةٍۢ زَوْجَانِ
In beide zijn er vruchten van elke soort, in paren.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
مُتَّكِـِٔينَ عَلَىٰ فُرُشٍۭ بَطَآئِنُهَا مِنْ إِسْتَبْرَقٍۢ ۚ وَجَنَى ٱلْجَنَّتَيْنِ دَانٍۢ
Leunend, op tapijten met brokaat aan hun binnenzijden en (de vruchten) van beide Tuinen hangen binnen handbereik.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
فِيهِنَّ قَٰصِرَٰتُ ٱلطَّرْفِ لَمْ يَطْمِثْهُنَّ إِنسٌۭ قَبْلَهُمْ وَلَا جَآنٌّۭ
In de Tuinen bevinden zich schonen met ingetogen blikken, die geen mens en geen Djinn ooit vóór hen heeft aangeraakt.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
كَأَنَّهُنَّ ٱلْيَاقُوتُ وَٱلْمَرْجَانُ
Als waren zij van robijn en koraal.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
هَلْ جَزَآءُ ٱلْإِحْسَٰنِ إِلَّا ٱلْإِحْسَٰنُ
Er is voor het verrichten van het goede geen andere beloning dan het goede.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
وَمِن دُونِهِمَا جَنَّتَانِ
En naast deze twee zijn nog twee Tuinen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
مُدْهَآمَّتَانِ
Donkergroen van kleur.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
فِيهِمَا عَيْنَانِ نَضَّاخَتَانِ
In beide bevinden zich twee overvloedige bronnen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
فِيهِمَا فَٰكِهَةٌۭ وَنَخْلٌۭ وَرُمَّانٌۭ
In beide zijn vruchten, dadels en granaatappels.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
فِيهِنَّ خَيْرَٰتٌ حِسَانٌۭ
Er in bevinden zich goede en mooie vrouwen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
حُورٌۭ مَّقْصُورَٰتٌۭ فِى ٱلْخِيَامِ
Vrouwen met prachtige ogen, afgezonderd in tentverblijven.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
لَمْ يَطْمِثْهُنَّ إِنسٌۭ قَبْلَهُمْ وَلَا جَآنٌّۭ
Die geen mens en geen Djinn ooit vóór hen heeft aangeraakt.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
مُتَّكِـِٔينَ عَلَىٰ رَفْرَفٍ خُضْرٍۢ وَعَبْقَرِىٍّ حِسَانٍۢ
Leunend op groene kussens en op prachtige tapijten.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ
Welke gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?
تَبَٰرَكَ ٱسْمُ رَبِّكَ ذِى ٱلْجَلَٰلِ وَٱلْإِكْرَامِ
Gezegend zij de Naam van jouw Heer, de Bezitter van Majesteit en Eer.
Surah 56: Al-Waqia — الواقعة
إِذَا وَقَعَتِ ٱلْوَاقِعَةُ
Wanneer de Dag der Opstanding plaatsvindt.
لَيْسَ لِوَقْعَتِهَا كَاذِبَةٌ
(Dan) kent de gebeurtenis ervan geen loochening.
خَافِضَةٌۭ رَّافِعَةٌ
Verlagend (voor de één), verheffend (voor de ander).
إِذَا رُجَّتِ ٱلْأَرْضُ رَجًّۭا
Wanneer de aarde hevig geschud wordt.
وَبُسَّتِ ٱلْجِبَالُ بَسًّۭا
En de bergen volledig vernietigd worden.
فَكَانَتْ هَبَآءًۭ مُّنۢبَثًّۭا
Zodat deze tot rondvliegend stof worden.
وَكُنتُمْ أَزْوَٰجًۭا ثَلَٰثَةًۭ
En jullie in drie groepen verdeeld zijn.
فَأَصْحَٰبُ ٱلْمَيْمَنَةِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلْمَيْمَنَةِ
De mensen van de rechterzijde, (wat een voorspoed voor) de mensen van de rechterzijde!
وَأَصْحَٰبُ ٱلْمَشْـَٔمَةِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلْمَشْـَٔمَةِ
En de mensen van de linkerzijde, (wat een tegenspoed voor) de mensen van de linkerzijde!
وَٱلسَّٰبِقُونَ ٱلسَّٰبِقُونَ
En de eersten (de derde groep) zijn de eersten.
أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلْمُقَرَّبُونَ
Dat zijn degenen die nabij zijn gebracht.
فِى جَنَّٰتِ ٱلنَّعِيمِ
In de Tuinen van gelukzaligheid (het Paradijs).
ثُلَّةٌۭ مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ
Een aantal van de vroegeren.
وَقَلِيلٌۭ مِّنَ ٱلْءَاخِرِينَ
En weinig van de lateren.
عَلَىٰ سُرُرٍۢ مَّوْضُونَةٍۢ
Op (met goud) geborduurde rustbanken.
مُّتَّكِـِٔينَ عَلَيْهَا مُتَقَٰبِلِينَ
Daarop leunend, tegenover elkaar zittend.
يَطُوفُ عَلَيْهِمْ وِلْدَٰنٌۭ مُّخَلَّدُونَ
Onder hen gaan eeuwig jeugdigen rond.
بِأَكْوَابٍۢ وَأَبَارِيقَ وَكَأْسٍۢ مِّن مَّعِينٍۢ
Met bokalen en kannen en glazen, gevuld aan een stromende bron.
لَّا يُصَدَّعُونَ عَنْهَا وَلَا يُنزِفُونَ
Waarvan zij geen hoofdpijn krijgen en niet dronken worden.
وَفَٰكِهَةٍۢ مِّمَّا يَتَخَيَّرُونَ
En vruchten waaruit zij kunnen kiezen.
وَلَحْمِ طَيْرٍۢ مِّمَّا يَشْتَهُونَ
En vlees van gevogelte, wat zij maar verlangen.
وَحُورٌ عِينٌۭ
En schonen met schitterende ogen.
كَأَمْثَٰلِ ٱللُّؤْلُؤِ ٱلْمَكْنُونِ
Gelijk welbewaarde parels.
جَزَآءًۢ بِمَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ
Als een beloning voor wat zij plachten te doen.
لَا يَسْمَعُونَ فِيهَا لَغْوًۭا وَلَا تَأْثِيمًا
Zij horen daarin geen onzin en geen zondigheid.
إِلَّا قِيلًۭا سَلَٰمًۭا سَلَٰمًۭا
Slechts het zeggen van: "Vrede! Vrede!"
وَأَصْحَٰبُ ٱلْيَمِينِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلْيَمِينِ
En de mensen van de rechterzijde, (wat een voorspoed voor) de mensen van de rechterzijde!
فِى سِدْرٍۢ مَّخْضُودٍۢ
Temidden van lotusbomen zonder doornen.
وَطَلْحٍۢ مَّنضُودٍۢ
En bananenbomen vol met vruchten.
وَظِلٍّۢ مَّمْدُودٍۢ
En langdurige schaduw.
وَمَآءٍۢ مَّسْكُوبٍۢ
En stromend water.
وَفَٰكِهَةٍۢ كَثِيرَةٍۢ
En fruit in overvloed.
لَّا مَقْطُوعَةٍۢ وَلَا مَمْنُوعَةٍۢ
Niet onderbroken en niet verboden.
وَفُرُشٍۢ مَّرْفُوعَةٍ
Op verhoogde rustbedden.
إِنَّآ أَنشَأْنَٰهُنَّ إِنشَآءًۭ
Voorwaar, Wij hebben hen (de vrouwen in het Paradijs) opnieuw geschapen.
فَجَعَلْنَٰهُنَّ أَبْكَارًا
En Wij hebben hen maagdelijk gemaakt.
عُرُبًا أَتْرَابًۭا
Liefdevol en gelijk in leeftijd.
لِّأَصْحَٰبِ ٱلْيَمِينِ
Voor de mensen aan de rechterzijde.
ثُلَّةٌۭ مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ
Een aantal van de vroegeren (groepen).
وَثُلَّةٌۭ مِّنَ ٱلْءَاخِرِينَ
En een aantal van de lateren.
وَأَصْحَٰبُ ٱلشِّمَالِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلشِّمَالِ
En de mensen van de linkerzijde, (wat een tegenspoed voor) de mensen aan de linkerzijde!
فِى سَمُومٍۢ وَحَمِيمٍۢ
(Zij verkeren) in een verzengende wind en kokend water.
وَظِلٍّۢ مِّن يَحْمُومٍۢ
En schaduwen van zwarte rook.
لَّا بَارِدٍۢ وَلَا كَرِيمٍ
Niet koel en niet weldadig.
إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَبْلَ ذَٰلِكَ مُتْرَفِينَ
Voorwaar, zij plachten voorheen in weelde te leven.
وَكَانُوا۟ يُصِرُّونَ عَلَى ٱلْحِنثِ ٱلْعَظِيمِ
En zij volhardden in geweldige zondigheid.
وَكَانُوا۟ يَقُولُونَ أَئِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًۭا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَبْعُوثُونَ
Zij plachten te zeggen: "Als wij gestorven zijn en tot stof en botten zijn geworden, zullen wij dan zeker opgewekt worden?
أَوَءَابَآؤُنَا ٱلْأَوَّلُونَ
En ook onze voorvaderen?"
قُلْ إِنَّ ٱلْأَوَّلِينَ وَٱلْءَاخِرِينَ
Zeg: "Voorwaar, de vroegeren en de lateren."
لَمَجْمُوعُونَ إِلَىٰ مِيقَٰتِ يَوْمٍۢ مَّعْلُومٍۢ
Zij zullen zeker bijeengebracht worden op het bepaalde tijdstip van een bekende Dag.
ثُمَّ إِنَّكُمْ أَيُّهَا ٱلضَّآلُّونَ ٱلْمُكَذِّبُونَ
Daarna zullen jullie, O dwalende, loochenaars.
لَءَاكِلُونَ مِن شَجَرٍۢ مِّن زَقُّومٍۢ
Zeker van de Zaqqôem-boom eten.
فَمَالِـُٔونَ مِنْهَا ٱلْبُطُونَ
Dan zullen jullie daarmee de buiken vullen.
فَشَٰرِبُونَ عَلَيْهِ مِنَ ٱلْحَمِيمِ
Daarna zullen jullie er (kokend water) van drinken.
فَشَٰرِبُونَ شُرْبَ ٱلْهِيمِ
Jullie zullen dan drinken als smachtende kamelen.
هَٰذَا نُزُلُهُمْ يَوْمَ ٱلدِّينِ
Dit is hun onthaal op de Dag des Oordeels.
نَحْنُ خَلَقْنَٰكُمْ فَلَوْلَا تُصَدِّقُونَ
Wij hebben jullie geschapen, waren jullie maar overtuigd geweest!
أَفَرَءَيْتُم مَّا تُمْنُونَ
Hoe denken jullie dan over dat (zaad) wat jullie uitstorten?
ءَأَنتُمْ تَخْلُقُونَهُۥٓ أَمْ نَحْنُ ٱلْخَٰلِقُونَ
Hebben jullie dat geschapen of zijn Wij de Scheppers?
نَحْنُ قَدَّرْنَا بَيْنَكُمُ ٱلْمَوْتَ وَمَا نَحْنُ بِمَسْبُوقِينَ
Wij hebben de dood onder jullie bepaald, en Wij zijn niet zwak.
عَلَىٰٓ أَن نُّبَدِّلَ أَمْثَٰلَكُمْ وَنُنشِئَكُمْ فِى مَا لَا تَعْلَمُونَ
Om schepselen zoals jullie te scheppen en om jullie opnieuw tot leven te brengen in (een schepping) waarvan jullie niet weten.
وَلَقَدْ عَلِمْتُمُ ٱلنَّشْأَةَ ٱلْأُولَىٰ فَلَوْلَا تَذَكَّرُونَ
En voorzeker, jullie hebben kennis over de eerste schepping, hadden jullie er maar lering uit getrokken!
أَفَرَءَيْتُم مَّا تَحْرُثُونَ
Hoe denken jullie dan over wat jullie zaaien?
ءَأَنتُمْ تَزْرَعُونَهُۥٓ أَمْ نَحْنُ ٱلزَّٰرِعُونَ
Zijn jullie het die het doen groeien of zijn Wij het Die doen groeien?
لَوْ نَشَآءُ لَجَعَلْنَٰهُ حُطَٰمًۭا فَظَلْتُمْ تَفَكَّهُونَ
Als Wij zouden willen, dan zouden Wij het laten verdorren, zodat jullie het zouden blijven betreuren.
إِنَّا لَمُغْرَمُونَ
(En zeiden:) "Voorwaar, wij zijn zeker met schuld beladen.
بَلْ نَحْنُ مَحْرُومُونَ
Wij zijn zelfs beroofd."
أَفَرَءَيْتُمُ ٱلْمَآءَ ٱلَّذِى تَشْرَبُونَ
Hoe denken jullie dan over het water dat jullie drinken?
ءَأَنتُمْ أَنزَلْتُمُوهُ مِنَ ٱلْمُزْنِ أَمْ نَحْنُ ٱلْمُنزِلُونَ
Zijn jullie het die het uit de wolken doen neerkomen of zijn Wij de neerzenders?
لَوْ نَشَآءُ جَعَلْنَٰهُ أُجَاجًۭا فَلَوْلَا تَشْكُرُونَ
Als Wij zouden willen, dan zouden Wij het tot zout water maken. Waren jullie maar dankbaar!
أَفَرَءَيْتُمُ ٱلنَّارَ ٱلَّتِى تُورُونَ
Hoe denken jullie dan over het vuur dat jullie ontsteken?
ءَأَنتُمْ أَنشَأْتُمْ شَجَرَتَهَآ أَمْ نَحْنُ ٱلْمُنشِـُٔونَ
Hebben jullie de boom daarvoor voortgebracht, of zijn Wij de voortbrengers?
نَحْنُ جَعَلْنَٰهَا تَذْكِرَةًۭ وَمَتَٰعًۭا لِّلْمُقْوِينَ
Wij hebben het (vuur) gemaakt ter herinnering en tot nut voor de reizigers.
فَسَبِّحْ بِٱسْمِ رَبِّكَ ٱلْعَظِيمِ
Prijst daarom de Naam van jouw Heer, de Geweldige.
۞ فَلَآ أُقْسِمُ بِمَوَٰقِعِ ٱلنُّجُومِ
Ik zweer bij het vallen van de sterren.
وَإِنَّهُۥ لَقَسَمٌۭ لَّوْ تَعْلَمُونَ عَظِيمٌ
En voorwaar, dat is zeker een geweldige eed, als jullie dat begrepen!
إِنَّهُۥ لَقُرْءَانٌۭ كَرِيمٌۭ
En voorwaar, dit is zeker de nobele Koran.
فِى كِتَٰبٍۢ مَّكْنُونٍۢ
In een welbewaard Boek.
لَّا يَمَسُّهُۥٓ إِلَّا ٱلْمُطَهَّرُونَ
Dat niemand aanraakt dan de gereinigden.
تَنزِيلٌۭ مِّن رَّبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ
Een neerzending van de Heer der Werelden.
أَفَبِهَٰذَا ٱلْحَدِيثِ أَنتُم مُّدْهِنُونَ
Onderschatten jullie deze Koran dan?
وَتَجْعَلُونَ رِزْقَكُمْ أَنَّكُمْ تُكَذِّبُونَ
En nemen jullie het loochenen (als dankbetuiging voor) jullie levensvoorziening?
فَلَوْلَآ إِذَا بَلَغَتِ ٱلْحُلْقُومَ
Waren jullie maar, toen (de ziel) de keel bereikte.
وَأَنتُمْ حِينَئِذٍۢ تَنظُرُونَ
En jullie op dat moment toezagen.
وَنَحْنُ أَقْرَبُ إِلَيْهِ مِنكُمْ وَلَٰكِن لَّا تُبْصِرُونَ
En Wij dichter bij hem waren dan jullie - maar jullie zagen het niet.
فَلَوْلَآ إِن كُنتُمْ غَيْرَ مَدِينِينَ
Waren jullie toen maar niet verantwoordelijk geweest.
تَرْجِعُونَهَآ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ
Dan zouden jullie haar (de ziel) terugbrengen, als jullie waarachtig geweest waren.
فَأَمَّآ إِن كَانَ مِنَ ٱلْمُقَرَّبِينَ
Als hij (de ziel) tot de nabijgebrachten behoort.
فَرَوْحٌۭ وَرَيْحَانٌۭ وَجَنَّتُ نَعِيمٍۢ
(Dan zijn er voor de ziel) rust en voorzieningen en de Tuinen van gelukzaligheid (het Paradijs).
وَأَمَّآ إِن كَانَ مِنْ أَصْحَٰبِ ٱلْيَمِينِ
Als hij tot de mensen aan de rechterzijde behoort.
فَسَلَٰمٌۭ لَّكَ مِنْ أَصْحَٰبِ ٱلْيَمِينِ
(Luidt de begroeting.) "Vrede zij met jou," van de mensen van de rechterzijde.
وَأَمَّآ إِن كَانَ مِنَ ٱلْمُكَذِّبِينَ ٱلضَّآلِّينَ
En als hij tot de dwalende loochenaars behoort.
فَنُزُلٌۭ مِّنْ حَمِيمٍۢ
Dan is er een onthaal van kokend water.
وَتَصْلِيَةُ جَحِيمٍ
En roostering in Djahîm (de Hel).
إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ حَقُّ ٱلْيَقِينِ
Voorwaar, dit is zeker de stellige Waarheid.
فَسَبِّحْ بِٱسْمِ رَبِّكَ ٱلْعَظِيمِ
Prijst daarom de Naam van jouw Heer, de Geweldige.
Surah 57: Al-Hadid — الحديد
سَبَّحَ لِلَّهِ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۖ وَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْحَكِيمُ
Wat er in de hemelen en op de aarde is prijst de Glorie van Allah, en Hij is de Almachtige, de Alwijze.
لَهُۥ مُلْكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۖ يُحْىِۦ وَيُمِيتُ ۖ وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍۢ قَدِيرٌ
Aan Hem behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde. Hij doet leven en Hij doet sterven en Hij is Almachtig over alle zaken.
هُوَ ٱلْأَوَّلُ وَٱلْءَاخِرُ وَٱلظَّٰهِرُ وَٱلْبَاطِنُ ۖ وَهُوَ بِكُلِّ شَىْءٍ عَلِيمٌ
Hij is de Eerste en de Laatste, Az Zhâhir en Al Bâthin. En Hij is Alwetend over alle zaken.
هُوَ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ فِى سِتَّةِ أَيَّامٍۢ ثُمَّ ٱسْتَوَىٰ عَلَى ٱلْعَرْشِ ۚ يَعْلَمُ مَا يَلِجُ فِى ٱلْأَرْضِ وَمَا يَخْرُجُ مِنْهَا وَمَا يَنزِلُ مِنَ ٱلسَّمَآءِ وَمَا يَعْرُجُ فِيهَا ۖ وَهُوَ مَعَكُمْ أَيْنَ مَا كُنتُمْ ۚ وَٱللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرٌۭ
Hij is Degene Die de hemelen en de aarde heeft geschapen in zes dagen (perioden) waarna Hij Zich op de Troon zetelde. Hij kent wat de aarde ingaat en wat er uit komt en wat uit de hemel neerdaalt en wat er in opstijgt. En Hij is met jullie, waar jullie ook zijn. En Allah is Alziende over wat jullie doen.
لَّهُۥ مُلْكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۚ وَإِلَى ٱللَّهِ تُرْجَعُ ٱلْأُمُورُ
Aan Hem behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde. En tot Allah keren de zaken terug.
يُولِجُ ٱلَّيْلَ فِى ٱلنَّهَارِ وَيُولِجُ ٱلنَّهَارَ فِى ٱلَّيْلِ ۚ وَهُوَ عَلِيمٌۢ بِذَاتِ ٱلصُّدُورِ
Hij doet de nacht overgaan in de dag en Hij doet de dag overgaan in de nacht. En Hij is de Kenner van wat in de harten is.
ءَامِنُوا۟ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦ وَأَنفِقُوا۟ مِمَّا جَعَلَكُم مُّسْتَخْلَفِينَ فِيهِ ۖ فَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مِنكُمْ وَأَنفَقُوا۟ لَهُمْ أَجْرٌۭ كَبِيرٌۭ
Gelooft in Allah en Zijn Boodschapper en geeft bijdragen van dat waarover Hij jullie als beheerders aangesteld heeft. Voor degenen van jullie die geloven en bijdragen geven is er een grote beloning.
وَمَا لَكُمْ لَا تُؤْمِنُونَ بِٱللَّهِ ۙ وَٱلرَّسُولُ يَدْعُوكُمْ لِتُؤْمِنُوا۟ بِرَبِّكُمْ وَقَدْ أَخَذَ مِيثَٰقَكُمْ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ
En wat is er met jullie, dat jullie niet geloven in Allah, terwijl de Boodschapper jullie oproept om te geloven in jullie Heer? En Hij is waarlijk een verbond met jullie aangegaan, als jullie gelovig zijn!
هُوَ ٱلَّذِى يُنَزِّلُ عَلَىٰ عَبْدِهِۦٓ ءَايَٰتٍۭ بَيِّنَٰتٍۢ لِّيُخْرِجَكُم مِّنَ ٱلظُّلُمَٰتِ إِلَى ٱلنُّورِ ۚ وَإِنَّ ٱللَّهَ بِكُمْ لَرَءُوفٌۭ رَّحِيمٌۭ
Hij is Degene Die duidelijke Verzen naar Zijn dienaar doet neerdalen om jullie uit de duisternissen naar het licht te voeren. En voorwaar, Allah is voor jullie zeker Zachtmoedig en Meest Barmhartig.
وَمَا لَكُمْ أَلَّا تُنفِقُوا۟ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ وَلِلَّهِ مِيرَٰثُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۚ لَا يَسْتَوِى مِنكُم مَّنْ أَنفَقَ مِن قَبْلِ ٱلْفَتْحِ وَقَٰتَلَ ۚ أُو۟لَٰٓئِكَ أَعْظَمُ دَرَجَةًۭ مِّنَ ٱلَّذِينَ أَنفَقُوا۟ مِنۢ بَعْدُ وَقَٰتَلُوا۟ ۚ وَكُلًّۭا وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلْحُسْنَىٰ ۚ وَٱللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ خَبِيرٌۭ
En wat is er met jullie, dat jullie geen bijdragen geven op de Weg van Allah, terwijl aan Allah de erfenis van de hemelen en de aarde behoort? Degenen van jullie die vóór de overwinning (bij Mekkah) bijdragen gaven en vochten, zijn niet gelijk, hun rang is hoger dan die van degenen die daarna bijdragen gaven en vochten. Maar beide groepen heeft Allah het goede (het Paradijs) beloofd. En Allah is Alwetend over wat jullie doen.
مَّن ذَا ٱلَّذِى يُقْرِضُ ٱللَّهَ قَرْضًا حَسَنًۭا فَيُضَٰعِفَهُۥ لَهُۥ وَلَهُۥٓ أَجْرٌۭ كَرِيمٌۭ
Wie is degene die aan Allah een goede lening geeft? Dan zal Hij deze verdubbelen voor hem en voor hem is er een rijke beloning.
يَوْمَ تَرَى ٱلْمُؤْمِنِينَ وَٱلْمُؤْمِنَٰتِ يَسْعَىٰ نُورُهُم بَيْنَ أَيْدِيهِمْ وَبِأَيْمَٰنِهِم بُشْرَىٰكُمُ ٱلْيَوْمَ جَنَّٰتٌۭ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا ۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ
Gedenkt de Dag waarop jij de gelovige mannen en de gelovigen vrouwen ziet. Hun licht straalt vóór hen en rechts van hen. (Er wordt hun gezegd:) "Deze Dag is er een verheugend bericht voor jullie: een Tuin waar onder door de rivieren stromen, (jullie zijn) daarin eeuwig levend. Dat is de geweldige overwinning."
يَوْمَ يَقُولُ ٱلْمُنَٰفِقُونَ وَٱلْمُنَٰفِقَٰتُ لِلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱنظُرُونَا نَقْتَبِسْ مِن نُّورِكُمْ قِيلَ ٱرْجِعُوا۟ وَرَآءَكُمْ فَٱلْتَمِسُوا۟ نُورًۭا فَضُرِبَ بَيْنَهُم بِسُورٍۢ لَّهُۥ بَابٌۢ بَاطِنُهُۥ فِيهِ ٱلرَّحْمَةُ وَظَٰهِرُهُۥ مِن قِبَلِهِ ٱلْعَذَابُ
Op die Dag zullen de huichelaars en de huichelaarsters tegen degenen die geloven, zeggen: "Wacht op ons en zodat wij jullie licht gebruiken. " Er wordt gezegd: "Gaat terug, naar achteren jullie! Smeekt om licht!" Er zal dan een muur tussen hen worden geplaatst, die een poort heeft: aan de binnenkant is er de Barmhartigheid en aan de buitenkant is er de bestraffing.
يُنَادُونَهُمْ أَلَمْ نَكُن مَّعَكُمْ ۖ قَالُوا۟ بَلَىٰ وَلَٰكِنَّكُمْ فَتَنتُمْ أَنفُسَكُمْ وَتَرَبَّصْتُمْ وَٱرْتَبْتُمْ وَغَرَّتْكُمُ ٱلْأَمَانِىُّ حَتَّىٰ جَآءَ أَمْرُ ٱللَّهِ وَغَرَّكُم بِٱللَّهِ ٱلْغَرُورُ
Zij (de huichelaars) roepen tot hen (de gelovigen): "Waren wij niet met jullie?" Zij zeggen: '"Welzeker, maar jullie brachten jezelf in verzoeking en jullie wachtten en jullie twijfelden en de ijdele wensen hebben jullie misleid, tot de beschikking van Allah bewaarheid werd. En de verleider (de Satan) heeft jullie van Allah weggeleid.
فَٱلْيَوْمَ لَا يُؤْخَذُ مِنكُمْ فِدْيَةٌۭ وَلَا مِنَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ ۚ مَأْوَىٰكُمُ ٱلنَّارُ ۖ هِىَ مَوْلَىٰكُمْ ۖ وَبِئْسَ ٱلْمَصِيرُ
Op deze Dag, zal er van jullie geen losprijs worden aanvaard, en ook niet van de ongelovigen. Jullie verblijfplaats is de Hel, dat is jullie beschermer. En dat is de slechtste plaats van terugkeer!"
۞ أَلَمْ يَأْنِ لِلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ أَن تَخْشَعَ قُلُوبُهُمْ لِذِكْرِ ٱللَّهِ وَمَا نَزَلَ مِنَ ٱلْحَقِّ وَلَا يَكُونُوا۟ كَٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَٰبَ مِن قَبْلُ فَطَالَ عَلَيْهِمُ ٱلْأَمَدُ فَقَسَتْ قُلُوبُهُمْ ۖ وَكَثِيرٌۭ مِّنْهُمْ فَٰسِقُونَ
Is het voor degenen die geloven nog geen tijd, dat hun harten zich vernederen voor het gedenken van Allah en wat is geopenbaard van de Waarheid (de Koran)? En laten zij niet worden als degenen aan wie de Schrift (de Taurât) voorheen was gegeven. Toen werd de tijd voor hen te lang, zodat hun harten verhardden. En de meesten van hen zijn zwaar zondigen.
ٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّ ٱللَّهَ يُحْىِ ٱلْأَرْضَ بَعْدَ مَوْتِهَا ۚ قَدْ بَيَّنَّا لَكُمُ ٱلْءَايَٰتِ لَعَلَّكُمْ تَعْقِلُونَ
Weet dat Allah de aarde doet leven na haar dood. Waarlijk, Wij hebben voor jullie de Tekenen duidelijk gemaakt. Hopelijk zullen jullie begrijpen.
إِنَّ ٱلْمُصَّدِّقِينَ وَٱلْمُصَّدِّقَٰتِ وَأَقْرَضُوا۟ ٱللَّهَ قَرْضًا حَسَنًۭا يُضَٰعَفُ لَهُمْ وَلَهُمْ أَجْرٌۭ كَرِيمٌۭ
Voorwaar, de mannen die bijdragen geven en de vrouwen die bijdragen geven en Allah een goede lening geven: Hij zal (het) voor hen vermenigvuldigen en voor hen is er een rijke beloning.
وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ بِٱللَّهِ وَرُسُلِهِۦٓ أُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلصِّدِّيقُونَ ۖ وَٱلشُّهَدَآءُ عِندَ رَبِّهِمْ لَهُمْ أَجْرُهُمْ وَنُورُهُمْ ۖ وَٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ وَكَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَآ أُو۟لَٰٓئِكَ أَصْحَٰبُ ٱلْجَحِيمِ
En degenen die in Allah en Zijn Boodschapper geloven: zij zijn de getrouwen en de getuigen bij hun Heer, voor hen is er hun beloning en hun licht. En degenen die ongelovig zijn en die Onze Verzen loochenen: zij zijn de bewonen van Djahîm (de Hel).
ٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّمَا ٱلْحَيَوٰةُ ٱلدُّنْيَا لَعِبٌۭ وَلَهْوٌۭ وَزِينَةٌۭ وَتَفَاخُرٌۢ بَيْنَكُمْ وَتَكَاثُرٌۭ فِى ٱلْأَمْوَٰلِ وَٱلْأَوْلَٰدِ ۖ كَمَثَلِ غَيْثٍ أَعْجَبَ ٱلْكُفَّارَ نَبَاتُهُۥ ثُمَّ يَهِيجُ فَتَرَىٰهُ مُصْفَرًّۭا ثُمَّ يَكُونُ حُطَٰمًۭا ۖ وَفِى ٱلْءَاخِرَةِ عَذَابٌۭ شَدِيدٌۭ وَمَغْفِرَةٌۭ مِّنَ ٱللَّهِ وَرِضْوَٰنٌۭ ۚ وَمَا ٱلْحَيَوٰةُ ٱلدُّنْيَآ إِلَّا مَتَٰعُ ٱلْغُرُورِ
Weet dat het wereldse leven slechts een spel is, een vermaak, een versiering en opschepperij tussen jullie en wedijver in vermeerdering van bezit en kinderen, als de gelijkenis van een regen waarvan de planten (die zij voortbrengt) bij de boeren verwondering wekt. Daarna worden ze droog en je ziet ze geel worden, en vervolgens worden ze tot vergane resten. En in het Hiernamaals is er een harde bestraffing en een vergeving van Allah en welbehagen. En het wereldse leven is niets dan een verleidende genieting.
سَابِقُوٓا۟ إِلَىٰ مَغْفِرَةٍۢ مِّن رَّبِّكُمْ وَجَنَّةٍ عَرْضُهَا كَعَرْضِ ٱلسَّمَآءِ وَٱلْأَرْضِ أُعِدَّتْ لِلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ بِٱللَّهِ وَرُسُلِهِۦ ۚ ذَٰلِكَ فَضْلُ ٱللَّهِ يُؤْتِيهِ مَن يَشَآءُ ۚ وَٱللَّهُ ذُو ٱلْفَضْلِ ٱلْعَظِيمِ
Wedijvert naar vergeving van jullie Heer en een Tuin (het Paradijs) waarvan de breedte is als de breedte van de hemel en de aarde, die voorbereid is voor degenen die in Allah en Zijn Boodschapper geloven. Dat is de gunst van Allah die Hij schenkt aan wie Hij wil. En Allah is de Bezitter van de Geweldige Gunst.
مَآ أَصَابَ مِن مُّصِيبَةٍۢ فِى ٱلْأَرْضِ وَلَا فِىٓ أَنفُسِكُمْ إِلَّا فِى كِتَٰبٍۢ مِّن قَبْلِ أَن نَّبْرَأَهَآ ۚ إِنَّ ذَٰلِكَ عَلَى ٱللَّهِ يَسِيرٌۭ
Er treft de aarde of julliezelf geen ramp, of het het staat in een boek, vóórdat Wij het doen gebeuren. Voorwaar, dat is voor Allah gemakkelijk.
لِّكَيْلَا تَأْسَوْا۟ عَلَىٰ مَا فَاتَكُمْ وَلَا تَفْرَحُوا۟ بِمَآ ءَاتَىٰكُمْ ۗ وَٱللَّهُ لَا يُحِبُّ كُلَّ مُخْتَالٍۢ فَخُورٍ
Opdat jullie niet zullen treuren over wat jullie is ontgaan en jullie niet opgetogen zullen raken over wat Hij jullie heeft gegeven. En Allah houdt van geen enkele verwaande opschepper.
ٱلَّذِينَ يَبْخَلُونَ وَيَأْمُرُونَ ٱلنَّاسَ بِٱلْبُخْلِ ۗ وَمَن يَتَوَلَّ فَإِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلْغَنِىُّ ٱلْحَمِيدُ
Degenen die gierig zijn en die de mensen tot gierigheid oproepen, en die zich afwenden. Voorwaar, Allah is de Behoefteloze, de Geprezene.
لَقَدْ أَرْسَلْنَا رُسُلَنَا بِٱلْبَيِّنَٰتِ وَأَنزَلْنَا مَعَهُمُ ٱلْكِتَٰبَ وَٱلْمِيزَانَ لِيَقُومَ ٱلنَّاسُ بِٱلْقِسْطِ ۖ وَأَنزَلْنَا ٱلْحَدِيدَ فِيهِ بَأْسٌۭ شَدِيدٌۭ وَمَنَٰفِعُ لِلنَّاسِ وَلِيَعْلَمَ ٱللَّهُ مَن يَنصُرُهُۥ وَرُسُلَهُۥ بِٱلْغَيْبِ ۚ إِنَّ ٱللَّهَ قَوِىٌّ عَزِيزٌۭ
Voorzeker, Wij hebben Onze Boodschappers met de duidelijke bewijzen gezonden en Wij hebben met hen het Boek en de wetgeving neergezonden, opdat de mens in het midden zou staan (rechtvaardig zou handelen). En Wij hebben het ijzer neergezonden, waarin grote macht is en voordelen voor de mensheid, opdat Allah zou doen weten wie Hem en Zijn Boodschappers helpt, zonder dat hij (bv. Allah en het Paradijs) kan waarnemen. Voorwaar, Allah is Sterk, Geweldig.
وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحًۭا وَإِبْرَٰهِيمَ وَجَعَلْنَا فِى ذُرِّيَّتِهِمَا ٱلنُّبُوَّةَ وَٱلْكِتَٰبَ ۖ فَمِنْهُم مُّهْتَدٍۢ ۖ وَكَثِيرٌۭ مِّنْهُمْ فَٰسِقُونَ
En voorzeker zonden Wij Nôeh en Ibrâhîm en vestigden onder hun nakomelingen het Profeetschap en de Schrift. Onder hen waren er die de Leiding volgden, maar velen onder hen waren zwaar zondigen.
ثُمَّ قَفَّيْنَا عَلَىٰٓ ءَاثَٰرِهِم بِرُسُلِنَا وَقَفَّيْنَا بِعِيسَى ٱبْنِ مَرْيَمَ وَءَاتَيْنَٰهُ ٱلْإِنجِيلَ وَجَعَلْنَا فِى قُلُوبِ ٱلَّذِينَ ٱتَّبَعُوهُ رَأْفَةًۭ وَرَحْمَةًۭ وَرَهْبَانِيَّةً ٱبْتَدَعُوهَا مَا كَتَبْنَٰهَا عَلَيْهِمْ إِلَّا ٱبْتِغَآءَ رِضْوَٰنِ ٱللَّهِ فَمَا رَعَوْهَا حَقَّ رِعَايَتِهَا ۖ فَـَٔاتَيْنَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مِنْهُمْ أَجْرَهُمْ ۖ وَكَثِيرٌۭ مِّنْهُمْ فَٰسِقُونَ
Vervolgens deden Wij Onze Boodschappers elkaar in hun sporen opvolgen. En Wij deden 'Îsa, de zoon van Maryam, volgen en Wij gaven hem de Indjîl. En Wij plaatsten in de harten van degenen die hem volgden mededogen en barmhartigheid. En het monnikwezen (celibaat), dat hebben zij (zelf) toegevoegd; Wij hebben het hun niet voorgeschreven. (Zij deden het) slechts om het welbehagen van Allah te zoeken. Daarna onderhielden zij het niet naar behoren en Wij gaven degenen die geloven onder hen hun beloning, maar velen onder hen waren zwaar zondigen.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَءَامِنُوا۟ بِرَسُولِهِۦ يُؤْتِكُمْ كِفْلَيْنِ مِن رَّحْمَتِهِۦ وَيَجْعَل لَّكُمْ نُورًۭا تَمْشُونَ بِهِۦ وَيَغْفِرْ لَكُمْ ۚ وَٱللَّهُ غَفُورٌۭ رَّحِيمٌۭ
O jullie die geloven, vreest Allah en gelooft in Zijn Boodschapper, dan zal Hij jullie dubbel van Zijn Barmhartigheid geven en jullie een licht geven waarmee jullie (recht) zullen voortgaan en Hij zal jullie vergeving schenken. En Allah is Vergevensgezind. Meest Barmhartig.
لِّئَلَّا يَعْلَمَ أَهْلُ ٱلْكِتَٰبِ أَلَّا يَقْدِرُونَ عَلَىٰ شَىْءٍۢ مِّن فَضْلِ ٱللَّهِ ۙ وَأَنَّ ٱلْفَضْلَ بِيَدِ ٱللَّهِ يُؤْتِيهِ مَن يَشَآءُ ۚ وَٱللَّهُ ذُو ٱلْفَضْلِ ٱلْعَظِيمِ
Opdat de Lieden van de Schrift zullen weten dat zij geen enkele macht hebben over de gunst van Allah en dat de gunst in de Hand van Allah is. Hij geeft die aan wie Hij wil. En Allah is de Bezitter van de geweldige gunst.